|
6. De ervaring van de grens
"Ook al heb je de
'nuttigheid' van een of ander fysiologisch orgaan (...) nog zo goed
begrepen, je hebt dan nog niets van zijn ontstaan begrepen. (...) Ik
bedoel te zeggen: ook het gedeeltelijk 'nutteloos worden', het
wegkwijnen en ontaarden, het teloorgaan van zin en doelmatigheid,
kortom de dood, behoort tot de voorwaarden van een werkelijke
'progressus'. (...) De grootte van de vooruitgang is zelfs 'evenredig'
aan de massa van wat er niet al aan moest worden opgeofferd." FRIEDRICH
NIETZSCHE, Genealogie der moraal, 77-79)
Schrijven was voor Georges Bataille
zijn lust en zijn leven. De in het dagelijks leven als archivaris
werkzame Bataille kenschetst zijn eigen schrijfactiviteiten in de
openingszin van Sur Nietzsche op volgende wijze: ``Dat wat mij
verplicht te schrijven (...) is de vrees gek te worden." Schrijven
tegen de angst. De door nut en disciplinering voorgestructureerde
moderne blik zal in Batailles schrijven misschien een therapeutisch
middel zien om zijn neurose uit te bannen. Voor sommigen toont
Batailles veertigjarige schrijfactiviteit, die zeer veel genres en de
meest uiteenlopende thema's omvat, zich als het manifeste bewijs van de
faliekante mislukking van deze therapeutische onderneming.
6.1 schrijven als verspilling, schrijven over de verspilling
Ondanks het feit dat hij zijn schrijven ooit als therapie heeft opgevat
(zijn eerste, onder pseudoniem geschreven `pornografische' roman
Histoire de l'oeil was wel degelijk als een deel van een
psychoanalytische behandeling bedoeld) is dit beperkt gebleven tot een
incidentele gebeurtenis. Bataille heeft nooit echt tegen de angst
geschreven. Veeleer heeft hij geprobeerd haar op te roepen teneinde
haar binnen de ruimte van het vertoog te bezweren en uit te laten
razen. Angst speelt bij hem een produktieve rol. Als we angst
desondanks tot de drijfveer van zijn werk maken, moeten we voor ogen
houden dat het hier om een fundamentele angstervaring gaat, om een
tijdsneurose wellicht, die nimmer tot de persoonlijke problemen van de
auteur herleid kan worden. Batailles neurose is inherent aan een
houding ten opzichte van de wereld: de moderniteit. Een houding die
zich in het objectiverend beschrijven, maar meer nog in het literaire
schrijven manifesteert. Bataille neemt de wijsbegeerte als activiteit
zeer serieus. Maar zijn begeerte naar wijsheid en waarheid is zo heftig
dat hij ongewild de integriteit van het lichaam van de tekst als
samenhangend geheel schendt. Het lezen van zijn werk houdt
onvermijdelijk een confrontatie in met deze bezetenheid, die slechts
onder de beperkte invalshoek van het menswetenschappelijk vertoog tot
een traumatische ervaring of neurotische spanning te reduceren is.
Batailles schrijven is een geobsedeerd schrijven. Dit klinkt door in de
toon en krijgt opnieuw gestalte in de ontgoocheling van de lezer die
een nieuwe waarheid dacht te vinden, maar daarentegen slechts onzin
vond. Met name veel niet Franse vakfilosofen blijken weinig voeling met
zijn wijze van filosoferen te hebben. Want ondanks het veelvuldig
gebruik van een diversiteit aan wetenschappelijk materiaal komen zijn
teksten uiterst `onwetenschappelijk' en onsamenhangend over. Volgens
enigszins academisch ingestelde filosofen spreekt Bataille zichzelf
voortdurend tegen en verzanden zijn redeneringen in paradoxen en
aporieën. Zijn vreemde gedachtenkronkels, de soms geheel
verbrokkelde stijl, de neiging om inzichten in een en dezelfde tekst te
ontwikkelen en op te heffen, dit alles maakt een weinig overtuigende
indruk. Bataille doet de waarheid en de filosofie geweld aan. De lezer
voelt zijn aanvankelijke fascinatie in theoretische afkeer omslaan.
Laat hij zich eerst verleiden, al snel weet hij zich misleid en
bedrogen. Maar precies in deze verleiding (seductie) kan de
werkzaamheid van Batailles teksten gevonden worden. Niet in de
productie van waarheid, maar de seductie tot het andere van de
waarheid. Het gaat evenwel niet om de verleiding van de grammatica,
maar van de krachten die door de tekst heen spelen: om het genot van de
tekst. Schrijft Bataille dan om te ontsnappen? Als dat al zo is, dan is
zijn schrijven allereerst een uitbraakpoging uit het modernistische
keurslijf: dat van het subject. Er wordt een toegang tot een andere
ervaring geforceerd, waarvoor hij de enigszins bevreemdende benaming
`innerlijke ervaring' kiest: ``Onder innerlijke ervaring versta ik wat
men gewoonlijk mystieke ervaring noemt: de toestanden van extase, van
verrukking, in ieder geval van bezonnen emotie. Maar ik denk minder aan
de confessionele ervaring, waartoe men zich tot nu toe heeft moeten
beperken, dan aan een naakte ervaring, zelf in oorsprong vrij van
bindingen aan welke confessie ook. Om die reden houd ik niet van het
woord mystiek." Het gaat hier niet meer om de `innerlijkheid' van de
moderne mens, maar om een expérience intérieure,
een ervaring waarin het Buiten binnen treedt. Of, in kentheoretische
termen:
waar in de ervaring van de grens de dichotomie subject object
doorbroken wordt. Batailles oeuvre is een opeenhoping van teksten,
waarvan sommige elkaar tegenspreken en andere theoretische verwerkingen
van vroegere teksten lijken. Een duidelijke samenhang ontbreekt.
Eigenlijk is het geen oeuvre. Het is per definitie onaf, daar iedere
mogelijkheid tot afronding het sluiten van het systeem, het poneren van
de laatste waarheid principieel wordt afgewezen. Door deze
principiële openheid kan Foucault stellen dat Batailles werk,
dat over alles en niets gaat en voor iedereen en niemand is geschreven,
nog steeds `groeit'. Qua vorm laat het geen eenduidige categorisering
toe: zijn het essays, romans, dagboeken, gedichten of wetenschappelijke
verhandelingen? Bovendien belet de veelvormigheid in onderwerpen en
stijl iedere identificering van de schrijver Bataille. Is hij geleerde
of literator? Romancier of dichter? Is het theologie, filosofie,
ethnologie, (kunst)geschiedenis of economie waar hij zich mee
bezighoudt? Of is hij uiteindelijk slechts een pornograaf die zich soms
ogenschijnlijk beheerst, soms volledig laat gaan? De veelheid van
onderwerpen waarover hij schrijft van de opkomst van het fascisme tot
de grotschilderingen van Lascaux laat zich evenmin op een noemer
brengen. Het onderscheid tussen centrale en marginale teksten is
zinloos, Batailles eigen pogingen ten spijt om nu eens een bepaalde
invalshoek als de belangrijkste naar voren te schuiven, dan weer een
boek als het culminatiepunt van alle andere te presenteren. We zouden
op z'n hoogst van een zeer vage horizon kunnen spreken waartegen al
zijn teksten zich aftekenen. In een periode van vijfenveertig jaar van
de op 21 jarige leeftijd geschreven tekst Notre Dame de Reims tot aan
het vlak voor zijn dood in 1961 verschenen boek De Tranen van Eros
levert Bataille zich uit aan een schrijfpraktijk die slechts een
oriëntatiepunt kent: de ervaring van het onmogelijke, de
onmogelijke ervaring van de dood. Wie Bataille leest teneinde een
consistente theorie te vinden, komt bekocht uit. Door het hele werk
heen, maar ook in de afzonderlijke teksten verglijden de betekenissen
en verschuiven de perspectieven. Maar eerder dan een teken van
theoretische onmacht vormen deze verglijdingen een onderdeel van de
strategie van de verleiding: zij vormen het erotische element van de
tekst. Deze erotiek manifesteert zich in de werking van de tekst,
waarvan Roland Barthes zegt dat ``die in een toestand van verlies
brengt, die onbehagen wekt (wellicht tot aan een zekere verveling) die
de historische, culturele, psychologische grondslagen van de lezer, de
consistentie van zijn voorkeuren, zijn waarden en zijn herinneringen
doet wankelen, die zijn verhouding tot de taal in een crisis brengt".
Het is een tekst die openheid en overgave eist. Echter niet op een
autoritaire manier. Daarvoor is Batailles schrijven te speels en zijn
zijn onderwerpen te verdacht. Zij legitimeren geen autoriteit: zij
dagen haar uit. Veeleer dan op accumulatie en produktie van waarheden
en betekenissen richt hij zich op een verspilling van deze samenhangen.
Geen antwoorden, maar een immense opeenhoping van vragen. De tekst als
afgesloten geheel is in zekere zin puur toevallig. Bataille benadrukt
dit regelmatig met een aantal stilistische trucs: hij houdt midden in
een betoog op, fragmenteert zijn eigen teksten door autobiografisch
materiaal op te nemen of beweert in een en dezelfde tekst iets waar hij
direct weer op terugkomt. In La part maudite bijvoorbeeld, ontkracht
hij zijn betoog met de volgende overweging: ``Terwijl ik het boek
schreef waarin ik zei dat de energie uiteindelijk slechts verspild kan
worden, gebruikte ik zelf mijn energie, mijn tijd, om te werken: mijn
onderzoek antwoordde op een fundamentele manier op dit verlangen de som
der goederen te vergroten, die door de mensheid verworven is. Zei ik
dat ik onder deze voorwaarden slechts zou kunnen antwoorden op de
waarheid van mijn boek door niet verder te gaan met schrijven?" Toch
schrijft Bataille verder, beseffend dat verspilling slechts bestaat bij
gratie van de accumulatie van goederen: waarheden, waarden,
betekenissen. Deze goederen zijn echter nooit het doel van de
schrijfactiviteit. Dan zou het schrijven verworden tot een bemiddelende
activiteit ten dienste van de waarheidsproduktie, waardoor het
onvermijdelijk zijn eigenmachtige werking verliest. En de mogelijkheid
om een ervaring op te roepen die Bataille `soeverein' noemt: een
ervaring die omwille van zichzelf wordt gezocht. Met andere woorden,
door een finalisering gaat het soevereine aspect van het schrijven
verloren. Met de wijsheid verdwijnt de begeerte, met het verschijnen
van de waarheid lost het genot van de tekst op. De kritiek wordt zo de
trouwste bondgenoot van de waarheidsproduktie. Bataille weigert deze
positie in te nemen. Hij blijft vragen stellen en verijdelt iedere
poging om tot een antwoord te komen: ``Ieder wezen heeft de afwezigheid
van een oplossing nodig." De wil tot weten ontbreekt. Daarvoor in de
plaats komt niet een onwil of onmacht tot weten, maar een wil tot niet
weten non savoir. Of misschien wel een wil tot vragen. ``Het antwoord
is de vraag, de vraag die de aarde, de vraag die de dood is." De
ervaring van de dood in het leven, de expérience
intérieure lost niets op, of het zou de samenhang van ieder
betekenisgeheel moeten zijn. Schrijven als ritueel. De tekst als offer.
Deze kenmerken duiden op een gewelddadige trek in Batailles schrijven.
Een excessief en pervers geweld, dat zich ogenschijnlijk als een wil
tot niets aandient: het schrijven zet een vernietiging van zichzelf in
gang omwille van het behoud van zijn soevereiniteit. Het richt zich
voortdurend op zijn eigen opheffing. Het herhaalt het ritueel en de
pulserende beweging van de erotiek. Maar behalve dat hij zijn schrijven
als een ritueel inzet, beschrijft Bataille ook het verschijnsel van het
ritueel in allerlei samenlevingen. Daar zijn teksten tevens over geweld
en erotiek gaan, vindt er een vreemde verstrengeling van inhoud en vorm
plaats. Door zijn schrijfwijze wordt een ervaring opgeroepen van dat
wat hij beschrijft. Toegang tot het beschreven object wordt in laatste
instantie niet door het begrip, maar in een intense ervaring verkregen.
Het gevolg is dat de lezer het object niet meer volledig in bezit kan
nemen. Hij wordt er veeleer tijdelijk door bezeten: hij ervaart de
intensiteit van het geweld, van het offer, de erotiek of de kunst aan
den lijve. Het begrip krijgt een parodiërende kwaliteit. Het
fungeert daardoor echter, meer dan als een komische navolging, als een
doorgang: een `para' `hodos', een weg die echter naar niets leidt, een
ware `parodie'. Niet voor niets hanteert Bataille deze stijlfiguur
graag en veel. Aan het begin van zijn filosofische activiteit lijkt
zijn stijl uitsluitend parodiërend te zijn. Zij is niet alleen
de uitdrukking van het inzicht dat de werkelijkheid slechts als masker
bestaat, maar ook dat zij onmogelijk met een algemene, abstracte
benaderingswijze te vatten is. De parodie krijgt een `methodisch'
karakter.
6.2 heterologie: de onmogelijkheid van het weten of het niet weten
Bataille geeft een aanzet tot een weten omtrent het Andere heteros, tot
een heterologie. Een poging die gedoemd is te mislukken, daar of het
weten zijn object verliest of het door de aanname van een vast omlijnd
object als heterologisch weten ontkracht wordt. De heterologie moet
daarom wel een paradoxaal weten zijn, dat nooit een volledige
objectivering van de werkelijkheid van het Andere kan nastreven zonder
tegelijk diens bestaansvoorwaarde te vernietigen. Wat is nu precies de
aard van het Andere bij Bataille? De invloed van Emile Durkheim
1858-1917 is aanzienlijk. Beiden zien het essentiële kenmerk
van het heterogene in de affectieve werking ervan: ``De reacties
bestaan hieruit dat men het heterogene ding een onbekende en
gevaarlijke kracht toeschrijft." Durkheim wijst op het sacrale als
één van de gestalten van het heterogene. In de
moderne tijd kan dit sacrale niet meer positief ervaren worden. De
werking ervan verplaatst zich naar andere gebieden van de samenleving.
Aantrekking en afstoting, fascinatie en weerzin, verleiding en
misleiding zijn reacties die door het heterogene geweld worden
opgeroepen. Door deze reacties zijn wij aan dit geweld gebonden,
terwijl de wetenschap er juist op uit is haar objecten te beheersen om
hen vervolgens doelmatig in een produktieproces in te zetten. De
`ontzettende' kracht van het heterogene laat deze beheersing evenwel
niet toe. Het huiveringwekkende is slechts te ervaren. Nu pas wordt
duidelijk welke rol de angst speelt: ``Wanneer wij de zin voor het
heilige niet meer bezitten, dan is dat doordat wij bang zijn."(id) Bang
voor het smerige, het geweld, het Andere, de dood. Zonder dat we het
beseffen is deze angst zo de exclusieve toegang tot een verloren
`oorspronkelijke' ervaring geworden. Vandaar dat Bataille haar oproept
en bezweert. Vandaar ook dat de heterologie tevens een agiologie is,
een leer van de heilige dingen, en een scatologie, een leer van de
smerige dingen. Maar vóór alles is het een niet
weten, een `non savoir'. Er is een `gekkenfilosofie' nodig, die haar
voltooiing in een onbedaarlijk lachen vindt. Batailles project is een
vrolijke wetenschap, die zich niet voor haar geweld schaamt. Wellicht
gaat het onhoorbare lachen á la Foucault aan dit lachsalvo
vooraf.Welke vorm neemt dit heterologisch weten concreet aan? Laten we
ons daartoe tot de geschriften uit de dertiger jaren wenden. Bataille
schetst op telkens andere en vaak onthutsend inventieve wijze een beeld
van de menswording. Zijn `mythologische antropologie' biedt een
veelheid van fragmenten, waarin door de elkaar steeds afwisselende
perspectieven een ervaring van een heterogene werkelijkheid opgeroepen
wordt. Filosofie en literatuur, antropologie en mythologie vloeien soms
naadloos in elkaar over. Vertrekkend vanuit het gevestigde bastion van
de wetenschap zwerft Bataille door de woestijn die dit van alle kanten
omgeeft: het verzwegen niemandsland tussen driften en denken, een
wereld waarin de overgang van de mens naar het dier zich onmerkbaar
voltrekt. Veel meer dan uitstapjes zullen, sterker nog: kunnen het niet
zijn. Rond de woestijn is immers geen muur op te trekken. Daarmee zou
het tot een nieuw stadsdeel of op z'n best tot een verloederde
bidonville worden. In de `mythologische antropologie' wordt desondanks
uitgegaan van theorieën die in Batailles tijd gangbaar waren:
de vlucht van de primaten uit een bosrijk gebied naar een
steppelandschap als gevolg van het uitbreken van enorme branden, het
cultiveren van de vanuit hangende positie voortgekomen verticale
houding tot een rechtoplopende gang. Op dit punt zet Bataille zijn
mythe of mogen we zeggen: zijn parodie in. De mens wil zijn waarheid,
de bron van zijn leven, de zon direct aanschouwen. De homo erectus moet
zijn blik echter afwenden om totale blindheid te vermijden. Lagen de
ogen van het dier aanvankelijk in het verlengde van de wervelkolom, bij
de mens zien we de stand van de ogen negentig graden draaien. De homo
erectus ontwikkelt een fysiologie waarbij de ogen haaks op de
wervelkolom komen te staan. Daarmee breekt hij met het dierlijke. Het
is de eerste castrerende daad: de mens wendt zich van zijn oerbron af
en verliest zijn contact met het sacrale, dat in de verticale as wordt
uitgedrukt: de erectie, de opstanding en de opstand hebben dit
uitreiken naar een `oorspronkelijke' toestand gemeen. Echter, op het
moment dat de mens door de `oorspronkelijke' oerkrachten wordt bezeten,
zien we de stand van het hoofd ten opzichte van de wervelkolom zijn
oude positie innemen. In de angst, wanhoop en lust verdraait de mens
zijn hoofd op krampachtige wijze. Zijn mond komt weer in het verlengde
van de kolom te liggen en in zijn schreeuwen van verrukking, wanhoop,
angst of waanzin herstelt hij het contact met het dier als `verloren
oorsprong': ``Men ziet tegelijkertijd dat de mens zijn driften op
minstens twee manieren kan bevrijden, via de hersens of via de mond."
Het is de kracht die uit ons diepste omhoog borrelt, als de lava uit
een vulkaan. Door deze mythologische voorstelling roept Bataille een
beeld van het heterogene op. Parodie vormt de kern van zijn `vrolijke
wetenschap'. Zij roept ons via de verbeelding op tot een ervaring. Er
is dus geen sprake van een representatie in eigenlijke zin. Alleen in
de verwijzing `bestaat' het sacrale nog. Een verwijzing die door het
aaneenrijgen van parodieën in leven wordt gehouden. Alles is
daarom parodie: ``Het is duidelijk dat de wereld een pure parodie is,
dat wil zeggen dat ieder ding dat men bekijkt een parodie is van een
ander, of nog het zelfde ding onder een bedriegelijke vorm." Toch is er
één exemplarisch beeld: de coïtus. De
groei, voorplanting en het afsterven van het organische leven is een
polymorfe coïtus, die weer een functie is van de vormeloze
rotatie van de aarde. In deze rotatie verbinden horizontale en
verticale bewegingen zich met elkaar. De coïtus is ook de
parodische gestalte van de misdaad. Immers, de overtreding van
verboden, die de sociale gemeenschap garanderen, vond tot voor kort
zeker in het vooroorlogse katholieke Frankrijk van Bataille ook in de
niet op voortplanting gerichte coïtus plaats. De parodische
beweging kan niet door een beroep op de wereld voorbij de beelden tot
rust gebracht worden. Er bestaat geen sluitende voorstellingswijze. De
ene parodie verwijst naar de andere, die op haar beurt weer
doorverwijst. Tot in het oneindige. Zodra we haar als representatie van
dé werkelijkheid opvatten lost de parodie op. De parodie, zo
zouden we kunnen zeggen, is dan ook de geradicaliseerde kritiek: zij
staat niet meer ten dienste van de waarheid, maar van de ervaring. Zij
is de verwijzing naar een leegte. Vanaf zijn eerste geschriften tot aan
zijn grote studie over de erotiek in de vijftiger jaren
L'érotisme beheersen deze erotische dimensie en de parodie
van de coïtus weliswaar op steeds andere wijze Batailles werk.
Het lijkt me zelfs gerechtvaardigd te stellen dat Bataille `een
macrofysica van de seksualiteit' schrijft.
6.3 pervertering van het lichaam
Het lichaam wordt het culminatiepunt van alle parodieën.
Batailles teksten intensiveren, erotiseren en perverteren zowel het
individuele als het maatschappelijke lichaam met parodieën
door in één beeld tegengestelde affecten op te
roepen: zo wijst hij bijvoorbeeld op het excrementiële aspect
van de zon in het fantasma van de zonvulkaan. Een beeld waarin de
polariteiten hoog en laag, rein en onrein met elkaar versmelten. De zon
werpt evenals de vulkaan de intense hitte uit haar binnenste over de
aarde. Vervolgens wordt dit beeld op het lichaam toegepast. Op deze
wijze perverteert Bataille zowel de zon als het lichaam in het
onmogelijke beeld van de zonne anus (en daarom noemt hij zijn geschrift
L'anus solaire in L'oeil pinéal een antropologisch essay).
De verhevenheid van de zon gaat over in de perversiteit van de anus.
Terwijl de anus opgewaardeerd wordt, wordt de zon gedevalueerd. Zij
krijgt een `verrot' aspect. Wordt zij doorgaans gelijkgesteld met het
goddelijke en het goede, door het fantasma verwijst de zinderende hitte
van de middagzon in het zenith plotseling naar de kadavers en de
gebleekte beenderen die verspreid liggen in de woestijn. Verrotten
wordt gelijk aan verlichten, verwarmen aan verzengen. In Soleil pourri
stelt Bataille op grond van het bestaan van allerlei mythes dat dit
onderscheid overeenkomt met de menselijke houding, waarin het
heterogene er tegelijk met het homogene is, ondanks het feit dat dit
zich aan onze ervaring als afgeleid, afgezwakt en pervers opdringt.
Vervolgens `fantaseert' Bataille het individuele lichaam. Hij verleidt
de lezer voortdurend tot de omkering van zijn waarden. Zo wordt in Le
gros orteil als zetel van het verstand en als onderscheidend menselijk
kenmerk niet het hoofd gepresenteerd, maar de grote teen. In deze
beschrijving speelt Bataille met de gegevens van de fysiologische
antropologie en de opkomende ethnologie: de status van de naakte voet
in diverse culturen, het verbod op het zien of het aanraken. Deze
parodie verweeft opnieuw het hoge met het lage (hoofd teen), het reine
met het onreine (de hemel waar de mens zich naar uitstrekt en de modder
waar de teen in verdwijnt). Het gaat Bataille niet om een bewijs, dat
de lezer zou moeten accepteren, maar om een verleiding, die in de
fascinatie met het smerige ligt. Zo passeert een groot aantal
lichaamsdelen de revue, maar één ervan neemt een
vooraanstaande plaats in: het oog. Ook Foucault hecht bijzondere waarde
aan deze parodie: ``Door het hele werk (vanaf de eerste roman tot aan
Les Larmes d'Eros gold het oog als een beeld van de innerlijke
ervaring." Het weggedraaide oog staat hier voor de orgastische extase,
het orgasme la petite mort. Deze `zelfreflectie' vertoont structureel
overeenkomsten met Descartes' `introspectie'. Vindt Descartes echter
het onwankele fundament van het denken, het cogito als verlichtend
centrum, in het zwarte gat van de `expérience
intérieure' verdwijnt iedere werkelijkheid. Het licht
implodeert. In de pornografische roman Histoire de l'oeil vinden we
ketens van parodieën, die in en door het beeld van het oog
aaneen worden geregen. Dit wordt van zijn reine aard ontdaan, of beter:
het onreine wordt ingevoerd, waardoor het sacrale aspect zich aandient.
Het oog wordt geparodieerd door de testikel van de gedode stier. Het
stieregevecht en het extatische gejuich, het geweld onder een
zinderende zon, de afschuw en fascinatie van het publiek, dit alles
biedt een enorm parodisch potentieel. Het balanceren op de rand van de
dood, zowel door de stier als door de toreador, de spanning, het bloed,
al deze beelden vragen erom gebruikt te worden. In de moderne wereld is
dit spektakel bovendien nog één van de weinige
geweldsrituelen waarin de doodservaring tot een collectieve extase kan
leiden: het stieregevecht als offerritueel. Dit offeraspect wordt in
Batailles roman op het oog overgedragen: dat wordt als testikel
geofferd. De vrouwelijke hoofdpersoon Simone woont met haar minnaars
een stieregevecht bij. Overeenkomstig het gebruik om welgestelde lieden
onder de toeschouwers de ballen van de zojuist gedode stier geroosterd
aan te bieden, laat zij zich tracteren. Rauwe in plaats van geroosterde
ballen. De gepelde, eivormige ballen de verwijzing naar het ei
intensiveert het fantasma worden haar op een schaal gebracht. De
landerigheid ten gevolge van een wegebbende spanning in het gevecht, de
geilheid van de hoofdpersonen en de zinderende hitte slaan plotseling
om: ``In slechts enkele sekonden: allereerst beet Simone tot mijn
afkeer in een van de rauwe ballen; toen naderde Granero de stier,
terwijl hij met zijn rode lap wuifde; tenslotte haast onmiddellijk
ontblootte Simone, met een bloedrood gezicht en een verstikkende
geilheid, haar lange, witte dijen tot aan haar natte spleet, waarin ze
langzaam maar zeker het tweede, bleke bolletje paste Granero werd door
de stier achterover geworpen en knalde met volle snelheid tegen de
balustrade, bij de derde stoot stootte een hoorn in het rechteroog en
door het hoofd. Een schreeuw van onpeilbare afschuw viel samen met een
kort orgasme van Simone." De versmelting van de dood en de erotiek,
gesymboliseerd in het oog/zaadbal/ei fantasma krijgt hier zijn meest
perverse uitdrukking. Ook de vagina, de oogkas en de arena verwijzen
naar elkaar. De arena als oord van de dood verwijst naar het open graf
of het immense duister van de nachtelijke hemel. Dit open graf vinden
we terug op een schilderij van Hans Baldung Grien dat Bataille in
L'érotisme opneemt en waarin hij de relatie tussen de dood
en de erotiek uitwerkt. De titel dekt de voorstelling: ``De dood
omhelst een naakte vrouw voor een open graf".(E.V) De nachtelijke hemel
als graf en liefdesbed wordt uitgewerkt in de roman Le blue du ciel,
waarin de hoofdpersonen op een kerkhof onder de blote hemel zich aan
hun vleselijke lusten overgeven. Een duizelingwekkend scala van
beelden, die over elkaar heen tuimelen. Een heterologisch weten. Zonder
vaste vorm, evenmin bepaald door een positieve inhoud. Er worden geen
begrippen aangeboden, maar fantasma's die een intensieve ervaring
oproepen: de ervaring van het Andere. De heterologie staat niet boven
haar object. Zij gaat er in onder. In dezelfde verspillende beweging
wordt de identiteit van de heteroloog als wetenschapper en het weten
als een samenhangend betekenissysteem tot over zijn grenzen gedreven.
In een bespreking van dit boek door Roland Barthes wordt de werking van
de parodie als volgt beschreven: `` Histoire de l'oeil is werkelijk een
verhaal van een object. (...) Of het kan daarentegen van beeld tot
beeld overgaan, in welk geval zijn verhaal dat van een migratie is, de
cirkels van de avatars in het hindoeïsme de vleeswording van
de godheid, waar het doorheentrekt, ver verwijderd van zijn
oorspronkelijke bestaan, op dit pad van een bijzondere verbeelding die
het vervormt maar nooit laat vallen." De parodie is het teken dat nooit
meer tot een werkelijkheid terug te voeren is en dat bij gratie van
zijn eigen ondergang in een volgende parodie leeft.
6.4 geweld en overschrijding: transgressieve dynamiek
Batailles werk getuigt van een geweld dat meer nog dan een probleem van
zijn eigen tijd hét probleem van de moderne tijd is. De
ogenschijnlijk effectieve uitsluiting van geweld uit de openbare orde
maakt dat het elders weer de kop opsteekt. Het dringt als literatuur de
taal binnen, terwijl de in Surveiller et punir beschreven
discontinuïteit tussen het klassieke en het moderne
strafregiem op de verinnerlijking van het voorheen openlijke geweld
wijst: geweld wordt tot zelfdisciplinering. De internalisering van dit
geweld als pedagogische dwang is echter slechts
één kant van de medaille, de catastrofale
explosie de andere. Batailles werk kan gelezen worden als een
genealogie van het `verlies' van dit geweld. Het cynisme dat eigen is
aan de moderniteit, uit zich als een principieel ongeloof aan de
waarheid, als een permanente crisis van het weten. Bataille stuurt aan
op een herwaardering van het geweld. In tegenstelling tot de meeste
moderne, door de Verlichtingsidealen beïnvloede denkers wenst
hij de crisis en kritiek als noodzakelijk geweld, als een
`positiviteit' te denken. Het gaat hem echter niet om het geweld
omwille van het geweld. Ook Bataille erkent de noodzaak van een
regulering of, zoals hij het stelt: een ritualisering van het geweld.
Zonder deze ritualisering kan de menselijke gemeenschap niet bestaan.
Juist door het instellen van verboden rond de seksualiteit en de dood
is de overgang van het dierlijke naar het menselijke gegeven. Echter,
de effectiviteit van het verbod eist tevens de overschrijding ervan.
Een overschrijding die altijd met geweld gepaard gaat. Bataille
bevestigt deze noodzakelijke dynamiek, deze transgressiviteit. Dit
betekent echter geenszins dat hij een nieuw machiavellisme zou willen
ontwikkelen. Maar evenmin aanvaardt hij het moderne inzicht dat geweld
te reduceren is, laat staan dat hij het toekomstbeeld van een
machtsvrije en geweldloze samenleving deelt. Voor Bataille is geweld
inherent aan het menselijk bestaan. Sterker, het menselijke articuleert
zich slechts in en door geweld. Voordat we de specifieke inhoudelijke
verwerkingen van dit inzicht de revue laten passeren, is het wellicht
zinvol ons af te vragen wat Bataille onder `geweld' verstaat. Een
belangrijke aanwijzing daartoe vinden we in zijn werk over de erotiek,
waarin hij stelt dat hij ``van het geweld geen exacte definitie heeft
kunnen en willen geven." Een `definitie' is natuurlijk de werking van
zijn tekst, of beter: de ervaring die deze in werking zet. Toch geeft
hij zelf nog een aantal andere aanknopingspunten. In een noot verwijst
hij naar een tekst van Eric Weil, Logique de la Philosophie, waarin een
voor hem herkenbaar concept van het geweld ontwikkeld wordt. Voor Weil
is ``het geweld een probleem voor de filosofie, de filosofie is er geen
voor het geweld. (...) Het paradoxale resultaat is derhalve dat het
geweld slechts betekenis heeft voor de filosofie, die de afwijzing van
het geweld is." De mens onderhoudt op tweevoudige wijze betrekkingen
met het geweld. Hoewel hij als redelijk wezen uit lijkt te zijn op de
reductie van geweld, openbaart zich juist in deze uitsluiting van het
Andere een nieuw soort geweld: het geweld van het denken. En zo
``blijft hij, zich als geweld tegenover het geweld plaatsend, door het
geweld bepaald". Dit aan het vertoog de filosofie inherente geweld
werkt ontwrichtend op haar eigen werkzaamheid. Hieruit blijkt de
complexiteit van het geweldsbegrip: het manifesteert zich zowel in als
`buiten' het vertoog. Een systematisch onderscheid tussen primair en
secundair geweld ligt voor de hand. Voor Weil is natuurgeweld primair,
terwijl discursief geweld een secundair karakter heeft. De beleving van
primair geweld is er een van totale ontreddering. Secundair geweld is
aanvankelijk niet te ervaren, daar het de ervaring constitueert. Pas
als het vertoog zijn greep op de wereld verliest, als ``dit vertoog de
mens niet langer bevredigt dan pas wordt deze wereld in het vertoog
over deze zelfde wereld als een gewelddadige begrepen". Om met Foucault
te spreken: de actuele problematisering van een door het vertoog
geproduceerde ervaring toont haar geweld. In Batailles beschrijvingen
ontdekken we een analoge verdubbeling: geweld van de eerste en van de
tweede orde. Het instellen van verboden rond dood en seksualiteit kan
als geweld van de eerste orde worden opgevat. De transgressie van deze
verboden is vervolgens geweld van een tweede orde: het geweld van de
overschrijding, van het exces en de verspilling. Betekenisgeving als
begrenzing is dus reeds een vorm van geweld. De werking van de rede,
waarin de intimiteit met de wereld der dingen verbroken wordt, is
primair geweld, dat in dezelfde scheidende beweging secundair geweld de
overschrijding van iedere grens (betekenis, verbod, persoonlijke en
sociale identiteit) oproept. In dit secundaire geweld wordt Weils
primaire geweld slechts ten dele ervaarbaar. Batailles secundaire
geweld blijft bepaald door de afgrenzende beweging. Begrenzing en
ontgrenzing, bezetting en ontzetting, bezit en bezetenheid zijn steeds
twee werkingen van een geweld, dat als een `oorspronkelijk' menselijk
gegeven wordt opgevat. Het woordje en is van groot belang. Geweld is
geen bezit en wordt niet vanuit een onaantastbare positie door het ene
individu tegen het andere gebruikt. Ieder individu neemt een dubbele
positie in. Hij is beul één slachtoffer. Kortom,
het geweld laat zich uiteindelijk door niemand doelmatig inzetten (wat
natuurlijk niet wegneemt dat geweld op het niveau van de alledaagse
ervaring als manipulatie, onderdrukking of uitbuiting ervaren kan
worden). Welnu, het denken van het geweld voltrekt zich in de
voortdurende verschuiving van beide perspectieven. De moderniteit
ontkent de positieve waarde van de transgressie, terwijl de laatste
voor Bataille juist de absolute erkenning van de grens is. Of, zoals
Foucault het stelt: ``Grens en transgressie hebben aan elkaar de
dichtheid van hun bestaan te danken."(VB60) Op de grens ontmoeten twee
werelden elkaar: de wereld van de verboden en de doelmatige arbeid
enerzijds, de wereld van de overschrijding en de verspilling
anderzijds. De tegenstelling arbeidverspilling kan ook als profaan
sacraal worden aangeduid. Deze tegenstelling tussen de sfeer van de
verboden en die van de zich in de overschrijding voltrekkende
verspilling krijgt door Batailles werk heen op steeds andere wijze
gestalte. Maar welk verschijnsel hij ook beschrijft, en of dit zich nu
op het individuele of op het maatschappelijk vlak aandient, het
belangrijkste kenmerk blijft dat ``de overschrijding het principe van
de georganiseerde wanorde"(E132) is. Met nadruk op `georganiseerde':
deze structurering maakt de sociale beheersing van het geweld mogelijk.
De sociale orde wordt door de verspillingsrituelen van levens en
goederen slechts ogenschijnlijk verstoord. In werkelijkheid ontleent ze
haar kracht en betekenis eraan. Zodra het geweld niet meer gereguleerd
wordt en de rituelen voor de structurering van de overschrijding
verdwijnen, krijgt deze het karakter van een catastrofale, volledig
gedisciplineerde vernietiging. Waar ontleent Bataille zijn theoretische
noties aan? Naast Durkheim speelt diens neef en leerling, Marcel Mauss,
een beduidende rol. Als een van de grondleggers van de Franse etnologie
publiceert hij in de dertiger jaren werk over een Noordamerikaans
Indiaans verspillingsritueel: de potlatch. De aanzienlijken bevestigen
hierin hun positie in de maatschappelijke hiërarchie door op
gezette tijden enorme hoeveelheden kostbare goederen ten overstaan van
rivalen en de gemeenschap te vernietigen. Deze verspillingen vereisen
een nieuwe accumulatie van goederen die op hun beurt weer worden
verspild om geschonden eer te herstellen of veroverde posities te
bestendigen. De economie van deze Indianen is dus gebaseerd op de
verspilling van overvloed en niet op de aanvulling van een tekort,
zoals in de burgerlijke economie het geval is. Dit idee van een
overvloed die zichzelf verspilt, ligt ten grondslag aan Batailles
overschrijdingsbegrip. In zijn opvatting verandert de verhouding tussen
het feest en de arbeid in die zin dat arbeid zijn primaire positie als
motor van de economie verliest. De profane arbeidstijd staat eerder ten
dienste van de heilige tijd, die door het feest wordt ingesteld. De
arbeid wordt als een periode van rust beschouwd, een energie
accumulatie ten behoeve van de feesten. Het feest, niet de arbeid
constitueert in de archaïsche samenleving de tijd. Zo delen de
Azteken hun jaar in twaalf feesten in, terwijl de Noordamerikaanse
Indianenstammen de winter tot een groot feest maken, waaraan de
zomeractiviteiten ondergeschikt worden gemaakt. Wordt in de tijd van
het feest de overtollige energie geheel opgebruikt door de verspilling,
in de tijd tussen de feesten dient zij als het ware
geïnvesteerd of geconsumeerd te worden in de arbeid, die als
een getransformeerde vorm van verspilling wordt opgevat. In een kort
opstel uit 1936 La notion de dépense analyseert Bataille de
westerse geschiedenis met behulp van de notie `verspilling'. Het is het
eerste werk waarin zij enigszins systematisch wordt ingezet, waarna ze
tot aan het eind een rol blijft spelen. Daarmee wekt zij de schijn een
centraal thema te vormen, waartoe alles te reduceren is. Bij nadere
beschouwing blijkt deze conclusie evenwel onhoudbaar. Allereerst omdat
in Batailles werk diverse andere noties nu eens impliciet, dan weer
expliciet opduiken, maar ook omdat de verspillingsnotie zelf steeds
verandert. Bataille hanteert een veelheid van aanverwante begrippen om
het wat grove begrip `dépense' te nuanceren: `consumation',
`dilapidation', `gaspillage', `dissipation' en `perte'. Zo verschuift
de inhoud van de verspillingsnotie van de onproduktieve rest van een
rationeel en doelgericht produktieproces via de verkwisting in engere
zin, de vernietiging van goederen en de verstoring van samenhangende
identiteiten naar het absolute verlies. De betekenis van dit verlies
als zelfverlies klinkt door in de term `consumation'(van `consumer':
verteren, vernielen, verbranden, verkwisten), waarin het
essentiële verschil met de slechts vanuit de sfeer van de
produktie denkbare `consommation' (consumptie) wordt uitgedrukt.
Dépense is voor de moderne mens nog slechts te begrijpen als
een vorm van overmatige consumptie. Voor Bataille wordt de consument
evenwel in het `verterings'proces betrokken. Deze wordt door de
`bevrijde' krachten en intensiteiten medeverteerd. Het is dan ook niet
verwonderlijk dat Bataille de consumptie van alcohol en drugs aanhaalt.
Als ambivalente consumptieprocessen vormen zij vaak een belangrijk
onderdeel van premoderne en huidige niet westerse rituele
praktijken.(VII68) In de sfeer van de produktie en de arbeid laat deze
consumptie zich tenslotte als luxe denken: gigantische monumenten, geld
en levens verslindende oorlogen, grootse spelen, peperdure kunst of
collectieve perverse uitspattingen. Vertonen de tot nu toe besproken
noties enige samenhang? Op het gevaar af Batailles bewust in stand
gehouden theoretische chaos te niet te doen, wil ik toch een poging
wagen. Bataille beschrijft steeds een tweetal sferen, die zich op
elkaar enten. Een van de eerste polariteiten is het paar homogeen
heterogeen. De homogene orde is de sfeer van de produktie, de orde van
de op nut, produktiviteit en rationalisering gerichte arbeid, waar
alles wat nutteloos, onproduktief en verspillend is, wordt uitgesloten.
Deze niet reduceerbare elementen kwalificeert Bataille als
excrementieel of heterogeen: het irrationele, obscene, criminele,
waanzinnige, zieke, perverse, kortom, het alle verboden overschrijdende
kwaad. Deze uitdrukkingen van het heterogene kenmerken zich door een
gewelddadige excessiviteit, die zowel het individuele als het
maatschappelijke lichaam doortrekt en die door Bataille bij Marx in de
vorm van het lompenproletariaat en bij Freud in de hoedanigheid van het
Onbewuste wordt gevonden. Het sacrale als specifieke vorm van het
heterogene verdwijnt uit de burgerlijke maatschappij. De moderne mens
rest nog slechts de `ontzettende' werking van het heterogene, die
echter niet meer als positiviteit gedacht of ervaren kan worden. Deze
tegenstelling komt in een reeks polariteiten terug:
verbodoverschrijding, arbeidverspilling, heterogeen homogeen, sacraal
profaan. Hun onderlinge verhouding is niet hiërarchisch. Het
gaat meer om perspectieven die elkaar afwisselen, in elkaar schuiven en
verglijden. Bij ieder begrippenpaar op zich zijn niet zozeer de
tegenstellingen van belang als wel de onoplosbare spanning tussen beide
polen: ``De menselijke wereld is tenslotte slechts een tweeslachtige
vorm van overschrijding en verbod, zodat het woord menselijk te allen
tijde een systeem van tegenstrijdige bewegingen betekent; (...) het
begrip van het menselijke betekent derhalve nooit, zoals eenvoudige en
vreedzame geesten het wensen, een eenduidige positie, maar een precair
evenwicht, dat specifiek voor de kwaliteit `menselijk' is. De
menselijke waardigheid verbindt zich altijd met een combinatie van
elkaar tegensprekende bewegingen."
6.5 soevereiniteit
Als Bataille in de vijftiger jaren beschrijft hoe de Sowjetmaatschappij
het verlies van het sacrale heeft gecompenseerd, bedient hij zich niet
langer van de polariteit homogeniteit heterogeniteit. Met zijn
hernieuwde aandacht voor Nietzsches werk, waardoor zijn denken zich in
de veertiger jaren richt op de `dood van God' en het `individuele'
ervaringsaspect de `expérience intérieure' komt
het accent in zijn werk op de soevereiniteitsnotie te liggen. Het gaat
nog steeds om een transgressieve dynamiek, maar deze wordt nu
toegespitst op de polariteit `autonoom subject soevereine mens'.
6.5.1 Historische gestalten
De archaïsche wereld die in onze wereld nog in de zogenaamde
`primitieve' samenlevingen terug te vinden is kent een scheiding tussen
de dragers van de soevereiniteit en de uitvoerders van de macht.
Priesters belichamen het soevereine, maar ontberen iedere politieke
macht. De soevereiniteit is machteloos: priesters verrichten in
rituelen de sacrale handelingen, maar zijn door taboes volledig
afgeschermd van de dagelijkse realiteit. Bij de imperiale
soevereiniteit vindt er een verschuiving plaats: de soevereine
subjectiviteit bindt zich aan een objectieve macht. Religieuze
autoriteiten en militaire machthebbers gaan na een aanvankelijke
scheiding een broos verbond aan. Het christendom biedt door zijn
militante verlossingskarakter een unieke mogelijkheid. Met het
usurperen van de sacrale soevereiniteit door de profane machthebbers
wordt een profaan element in de soevereine orde ingevoerd. Berekening
en beheersing (uitdrukkingen van de wereldse macht) nemen het exces en
de extase in bezit: een deel van de arbeidsinspanning valt de aardse
soevereiniteit als luxe toe. De vorst zet zijn macht echter bij tijd en
wijle op het spel: volksfeesten lopen niet zelden uit op relletjes of
op opstanden. De historische gestalten van de imperiale soevereiniteit
hebben alle een januskop. Enerzijds herkennen we haar in de koningen,
keizers, pausen, kortom in een objectieve macht die aan instituties
verbonden is. Zij is in die zin ``een bijzondere historische
werkelijkheid". Anderzijds bestaat zij echter los van deze instituties
als een ervaringsaspect, dat verwijst naar een sacrale soevereiniteit
God die in de institutionele vormen is geïnvesteerd: de aardse
macht ontleent zijn legitimiteit aan God. Zo hebben de keizers en
pausen de erfenis van het soevereine in bezit genomen. De soeverein
belichaamt het sacrale, is vrijgesteld van arbeid en eist de luxe op om
haar ter meerdere glorie van zichzelf te verspillen. De burgerlijke
samenleving, waar volgens Bataille fascisme en stalinisme de
geperverteerde uitdrukkingen van zijn, is de laatste fase van een
historische ontwikkeling, die begint in de archaïsche en
voortgaat in de imperiale samenleving. In deze maatschappij heeft de
dood van God de ervaring van het soevereine, als een verspilling van
iedere machtsaanspraak, ondenkbaar gemaakt. Het offer is in de
premoderne samenleving nog als een positieve ervaring aanwezig in de
vorm van allerlei expliciete of verkapte collectieve praktijken: van de
mensenoffers bij de Azteken, via de bemiddelende dieroffers van de
Dionysoscultus en de gladiatorenspelen bij de Romeinen tot aan de
ketterverbrandingen in het christendom en de openbare executies van
misdadigers in de zeventiende en achttiende eeuw in de westerse
samenleving. Het contact met het sacrale, bemiddeld door en in het
offer, blijft mogelijk. Met de dood van God verdwijnt uit de
burgerlijke samenleving de positieve verspilling en daarmee de
bemiddelde toegang tot het sacrale. Het verdwijnen van de
soevereiniteit heeft directe gevolgen voor de bestaanswijze van de
macht. Was deze eerst aan soevereine personen gebonden en bezat ze als
zodanig een subjectieve waarde, door het verdwijnen van het soevereine
treedt de macht geleidelijk als een steeds objectiever wordende waarde
naar voren: de moderne samenlevingen pretenderen zelfs het soevereine
ontmanteld en de macht gelijkelijk verdeeld te hebben. Het volk
belichaamt de macht, de soevereiniteit is deels
geïnstitutionaliseerd, deels geïnternaliseerd. De
politieke macht ontleent zijn legitimiteit voortaan aan een autonoom
denkend en kiezend subject en aan door hem gekozen organen. Hoe is het
twintigste eeuwse geweld in de vorm van fascisme en stalinisme dan te
verklaren? Volgens Bataille zijn beide verschijnselen te begrijpen als
reacties op een wereld waarin de soevereine subjectiviteit volledig
genegeerd wordt. De Sowjetmaatschappij ontkent haar door een radicale
machtsobjectivering en de investering van enorme energieën in
de opbouw van een moderne staat. De macht is aan het volk, de Partij
representeert dit, de partijbonzen zijn slechts incidentele dragers van
een geobjectiveerde macht. Na de Revolutie en de eliminatie van de
voormalige dragers van een soevereine subjectiviteit de tsaar en de
adel hebben de leiders hun eigen soevereiniteit, dat wil zeggen hun in
de Revolutie gevestigde rang en prestige niet gekapitaliseerd: zij
hebben vrijwillig afstand van de eraan verbonden macht gedaan en hebben
haar aan de Partij overgedragen. In de persoonscultus rond Stalin
blijkt de soevereine subjectiviteit echter weer nieuwe vormen aan te
nemen. Ondanks de ideologisch verantwoorde oproep tot een alomvattende
klassenstrijd en een wereldrevolutie die een vorm van oorlog
impliceert, richt het onvermijdelijke geweld zich evenwel niet naar
buiten. Het kan door middel van enorme arbeidsinspanningen en de
daaruit voortvloeiende verspilling van energieën, goederen en
levens gekanaliseerd worden. In de westerse samenleving heeft dit
intensiveringsproces via de arbeid zich reeds in de
industriële revolutie voltrokken. Het exces aan
energieën vraagt in het westen dientengevolge om andere
uitwegen. Hier wreken de verdringing van de subjectieve soevereiniteit,
het energieoverschot en het verlies van een positieve identiteit van
vele westerse gemeenschappen zich in de gestalte van het fascisme. De
fascinatie van de massa's voor het fascisme komt volgens Bataille met
name voort uit de behoefte aan een nieuwe identiteit en aan een
communicatie met een soevereine orde. Dit contact met een soevereine,
sacrale orde die in de charismatische figuur van Hitler een imperiale
gestalte aanneemt genereert in het vertoog nieuwe mythes en
identiteiten: de nationaalsocialistische identiteit ent zich op de Blut
und Boden ideologie. Zo getuigt het fascisme van de spookachtige
terugkeer van de imperiale soevereiniteit. Het zal niemand verbazen dat
Batailles soevereiniteitsbegrip op veel onbegrip is gestoten. Zelfs in
die mate dat sommigen hem een idolate bewondering voor Hitler,
Mussolini en Stalin toeschrijven, als zou hij in hen de ideale mens
zien. Een ongelukkige interpretatie, want als de massa door het
fascisme gefascineerd is dat wil zeggen als zij het willen dan heeft
dit verlangen niets met de doelstellingen of methodes te maken. Noch
met de personen. Voor alles is het het soevereine als ervaring waar de
massa's door gebiologeerd zijn. De extase van de partijbijeenkomsten,
die een tijdelijke overschrijding van het individuele bewustzijn
bewerkstelligen, het prestige en de waarborg van een groepsidentiteit
en het geweld maken een collectieve overschrijding van hun danig
gebruuskeerde zelfervaring mogelijk.
6.5.2 Individuele ervaring:
`expérience intérieure' De beschrijvingen van de
historische gestalten van de soevereiniteit vormen de horizon waartegen
Batailles werk over de `expérience intérieure'
zich aftekent. De fascinatie en de afkeer die het fascisme bij de
massa's opriep zijn uitdrukkingen van de eerder genoemde angstervaring.
De angst verwijst naar een soevereine ervaring. In zoverre de angst het
schrijven in gang zet en dit tot het punt voert waar het schrijvend
subject zich erin verliest, verwijst deze angst naar een `niet weten':
`` Het niet weten deelt de extase mede. Het niet weten is allereerst
angst".(IE81) Deze angst, die zich in de moderne tijd als een
tijdsneurose uit, ligt niet voorbij de grens, maar articuleert zich
juist als een zinderende spanning rond het fragiele bestaan van de
scheidslijn tussen weten en niet weten. Dit geldt ook voor de
soevereiniteit. De soevereine mens, zoals Bataille hem concipieert, of
`de volledige mens' zoals hij hem vaak aanduidt, is ``in essentie (...)
slechts een wezen waar de transcendentie zich teniet doet, van wie
niets meer gescheiden is: een beetje een pias, een beetje God, een
beetje gek .... het is de transparantie".(VI20) De soevereine mens
affirmeert het bestaan rond de grens door het bestaan daarvan steeds in
het spel te brengen en op het spel te zetten. Hij leeft de onophefbare
spanning tussen het sacrale en het profane. Een onoplosbare paradox die
aan het menselijke kleeft: de noodzaak in de orde van de arbeid te
handelen en te produceren, wetend dat de doelen niet te realiseren zijn
en dat de produkten van zijn arbeid tenslotte verspild moeten worden.
De soevereine ervaring valt de mens slechts toe: het toeval is een van
haar belangrijkste kenmerken. Als Bataille Nietzsche in de veertiger
jaren herleest, geeft hij zijn boek Sur Nietzsche de ondertitel
`Volonté de chance', wil tot kans of toeval. Het is een
paradoxale kwalificatie, daar het toeval of moeten we zeggen: het lot
nu juist niet te willen is. Zij kan geen object van verlangen zijn
zonder dat zij haar soevereiniteit prijs geeft. Daarom is wil ook geen
individuele wil. Zij is veeleer een krachtenveld dat zich als wil aan
ons aandient. Het bewust zoeken naar deze ervaring blijft beperkt tot
het aannemen van een bepaalde houding, van een openheid ten aanzien van
en een overgave aan de dingen. Dit is de houding van de soevereine of
volledige mens. Verder ontbeert deze ervaring iedere vorm van actie.
Actie zou immers een doelgerichtheid, zelfs enige arbeid
veronderstellen, waardoor het soevereine karakter van de ervaring weer
teniet wordt gedaan. Zo zegt Bataille bijvoorbeeld dat schrijven nooit
tot project kan worden. De doelmatigheid die in het project
verondersteld wordt, verijdelt dit. Toch spreekt hij zich hierover op
ambigue wijze uit: ``Beginsel van de innerlijke ervaring: door middel
van een plan buiten het domein van het plan treden."(IE74) De
noodzakelijkheid én de onmogelijkheid van het project zijn
hiermee aangegeven. De soevereine mens leeft in en van de verspilling:
``... de mens wiens leven een feest `zonder grond' is, een feest in de
volledige betekenis van het woord, een lach, een dans en een orgie die
zich nooit ondergeschikt maakt, een offer dat met alle doelen, goederen
en moralen spot."(VI 22) Een alerte apathie als pendant van de
overgave. In deze houding maakt de mens zijn opwachting voor het toeval
dat zich plotseling en als een zeldzaamheid aandient. Als een
donderslag bij heldere hemel.
6.6 communicatie en vrijheid
Menigeen zal zich afvragen welke politieke consequenties een dergelijke
houding heeft. Het schrikbeeld van de a politieke massa's, die slechts
verleid, hoogstens beziggehouden willen worden, maar zeker geen
bevrijdende keuzes meer maken, doemt op. Een schrikbeeld? Of is dit in
het verschijnsel `zwijgende massa' niet reeds verwerkelijkt? Is datgene
wat Bataille beangstigend `objectief' beschrijft niet allang een deel
van onze ervaring? Het lijkt erop dat hij de noodzaak tot communiceren
overboord gooit. Maar waarom stelt hij dan ``dat de literatuur
communicatie is"? Het onmogelijke karakter van de avantgardistische
literatuur werpt echter een ander licht op het begrip communicatie. Het
is niet meer een door de tekst bemiddelde uitwisseling van mededelingen
tussen een schrijvend en lezend individu. Alleen door in het soevereine
te participeren, ontstaat op indirecte wijze communicatie. Het is in
het verlies dat zowel schrijver als lezer aan iets deelnemen. De
boodschap van de tekst verdwijnt met de tekst zelf en in dit offer komt
een mededelen van elkaar in een soevereine ervaring tot stand. De
literatuur gaat alleen nog over zichzelf en verwijst niet meer naar een
wereld of een ik. De poëzie is zo stelt Bataille de meest
geijkte vorm voor deze mededeling. Zij leeft immers van de verglijding
glissement van betekenissen. Een verglijding die vergelijkbaar is met
de amechtige onmacht die ontstaat op het moment dat de begeerte het
individu in haar greep krijgt: het moment waarop de lust de overgave
eist en de overweldiging zich in de vorm van het orgasme voltrekt.
Communicatie verandert op deze wijze van `een zich mededelen aan
anderen' tot `een zich delen met anderen'. Het wordt letterlijk een
`mede delen' in het offer, een communie in en van het sacrale. Een
delen dat een offer van de schrijvende subjectiviteit inhoudt. In de
burgerlijke maatschappij wordt een dergelijke visie op de literatuur
aanvankelijk verguisd. Niet voor niets is het (neo)realisme de
kunstvorm bij uitstek van het late negentiende eeuwse burgerdom, het
fascisme en het stalinisme. De hoeksteen van de communicatie blijft het
subject in de vorm van respectievelijk een burgerlijk subject, de
Führer of het proletariaat dat iets betekenisvols mededeelt.
Communicatie is nooit een doel, maar altijd een middel: ingezet om de
produktiviteit te verhogen, de efficiëntie te verbeteren, de
rangverschillen te slechten. Bataille ontkent de waarde en de noodzaak
van deze communicatie geenszins. Hij stelt echter dat zij gevoed wordt
door haar verspilling. Deze communicatie biedt geen overdracht van
betekenissen, zeker geen poneren van de waarheid. Communicatie is
allereerst verscheurdheid: ``De communicatie vereist een gebrek, een
`failliet'. (...) Zij vereist een samenloop van twee scheuringen, in
mijzelf, in de ander." Communicatie is evenals de erotiek een spel van
bezitten en bezeten worden. Betekent de individuele vrijheid nu nog
iets? Spreekt Bataille nog wel over vrijheid? In de politieke teksten
van de dertiger jaren in ieder geval wel. Zo is de invloed van het
marxisme nog merkbaar in zijn verzetsbegrip, ook al wordt de
haalbaarheid van de revolutie ter discussie gesteld: ``Het lijkt erop,
dat de zich in een democratie ontwikkelende revolutionaire bewegingen
iedere hoop ontnomen is (...)."(I 370) Toch ontwikkelen zich
subversieve krachten die `doorgaan naar de bevrijding van het
menselijke leven toe te werken."(I 371) Deze subversieve krachten
``zijn niets anders dan de lage vormen van de heterogeniteit" die een
letterlijke `subversie', een `omkering' van dat wat hoog is, beogen: de
Franse en de Russische Revolutie zijn daar historische voorbeelden van.
Wat voor bevrijding heeft Bataille dan wel op het oog? Uit de
opmerkingen die aan het bovenstaande citaat voorafgaan, blijkt dat het
in geen geval om een utopisch socialisme gaat. Bevrijding kan niet meer
in idealistische of morele termen worden begrepen. De bevrijding wordt
niet meer als het resultaat van de werkzaamheid van een historisch
subject, in casu het proletariaat, gezien. Zij is veeleer het
onberekenbare resultaat van een subversiviteit die eigen is aan de
heterogene gestalte van dit proletariaat: het lompenproletariaat. De
`vrijheid' krijgt een ander karakter. Een retrospectieve lezing vanuit
de latere politieke teksten zoals de tekst over de Sowjetmaatschappij
van 1956 waarin niet de polariteit heterogeen homogeen, maar de
soevereiniteitsnotie centraal staat, geeft een duidelijker beeld van
dit nieuwe vrijheidsbegrip. Deze tekst begint met een opmerking waarin
de overlapping van het begrip soevereiniteit en vrijheid verduidelijkt
wordt: ``Het de soevereiniteit van de mensen, is geen vertrouwd
probleem. Niemand stelt het in de huidige wereld, waarin het
eenvoudiger is [hkl] en voldoende lijkt te zijn van vrijheid te
spreken." Soevereiniteit blijkt synoniem met individuele vrijheid en
openbaart zich in de ervaring van het heterogene, in het soevereine
moment van de overschrijding. Het autonome subject realiseert haar als
soevereiniteit, hetgeen wel de momentane opheffing van zijn autonomie
betekent. De moderne mens wordt evenals de achttiende eeuwse soeverein
onthoofd, maar deze onthoofding is zijn bevrijding: ``De mens is uit
zijn hoofd ontsnapt, zoals de veroordeelde uit zijn gevangenis." Aan
het eind van het opstel spreekt Bataille dan ook niet meer over
vrijheid ook al stelt hij dat men ``de misere achter zich kan laten".
Het tijdelijke karakter van deze vrijheid kan niet genoeg benadrukt
worden. Een volledige verspilling van zin en een absolute
overschrijding van het verbod en de grens betekenen voor het individu
immers de onleefbare waanzin en uiteindelijk de dood. Slechts als het
voortbestaan van de gemeenschap gewaarborgd is, kan het individu zijn
vrijheid realiseren. Bataille transformeert daartoe ook het idee van
een gemeenschap communauté. Zij vindt haar rechtvaardiging
niet zozeer in een continue toestand een utopie, een machtsvrije
samenleving maar veeleer in een bevrijdende momentane overschrijding:
``Er is in de vrijheid de onmacht van de vrijheid: toch is de vrijheid
niet minder beschikking over zichzelf." Deze extase is weliswaar
sociaal te beheersen, maar het individuele moment van het verlies is
niet te plannen. Als de passieve vervoering eerder dan de actieve
voltrekking van strategieën het fundament van de vrijheid is
en als de communicatie zich in deze vervoering voltrekt, betekent dit
dan dat juist het feest een solidariserende functie heeft? Inderdaad,
het feest vernieuwt de wereld onophoudelijk en het is in deze heilige
tijd dat de gemeenschap zich aaneenschaart en individuen zich met
elkaar solidariseren. Het is echter ook een gevaarlijke tijd. De nieuwe
solidariteit voltrekt zich immers in de ontvankelijkheid voor het
heterogene: een zijnsdimensie waarin het bekende en vertrouwde
opgeheven wordt. Dat wil zeggen dat zich in een openheid voor het
Andere de revoltering van het Zelfde aankondigt. De `andere
solidariteit' is tegelijkertijd een `solidariteit met het Andere'.
Echter, de reguliere noties vrijheid en communicatie hebben nog wel
degelijk waarde. Wij communiceren tenslotte nog steeds met elkaar
zonder de greep op dit proces te verliezen en kiezen weloverwogen voor
strategieën waarin we ons op rationele gronden met anderen
solidariseren. Dit alles wordt door Batailles inzet allerminst ontkend.
Wel wordt er gesteld dat de zinvolheid van deze `gewone' ervaringen
juist bestaat in het verdwijnen van de greep op de omgeving, de
middelen en de tijd, dus in het overschrijden van hun grenzen. En dat
deze verspilling bovendien geen uitzonderingssituatie is. We kunnen met
de oude inhoud van de begrippen vrijheid, offer, revolte, communicatie,
solidariteit nog wel degelijk moderne verschijnselen zoals de moderne
revoluties denken. Echter, door een verschuiving van het perspectief
blijkt de moderne revolutionair evenals zijn premoderne voorganger: de
martelaar verwant met het offer dat hij, door zichzelf op het spel te
zetten, aan zichzelf voltrekt. Door zijn bemiddeling kan de gemeenschap
zich solidariseren. Bataille probeert de blinde vlek waar de moderne
blik mee behept is, bloot te leggen. Dit betekent niet dat zijn
`oplossing' de hernieuwde instelling van bloeddorstige rituelen
inhoudt. Dat kan hoogstens een koket spelletje voor experimenterende
intellectuelen zijn. Zinvoller is het ervaringswijzen te onderzoeken
waar de werking van de overschrijding en het ritueel nog daadwerkelijk
aanwezig zijn. Ervaringen die zich aan de rand van ons bewustzijn
afspelen. Wellicht is het mogelijk ons vanuit deze ervaringen te
heroriënteren op actuele praktijken waarin zich een andere
`gemeenschappelijkheid' en een nieuwe houding ten opzichte van de
wereld en de medemens ontwikkelt. Waar zich in de kritiek op de
moderniteit tegelijkertijd een andere zelfervaring aankondigt.
|