Noten

1 KANT, BATAILLE, FOUCAULT

1. Aan het begin van ieder hoofdstuk wordt het thema daarvan door een citaat uit het werk van
Nietzsche aangegeven. Het desbetreffende werk en de plaats worden direct en met een verwijzing naar de Nederlandse vertaling vermeld
2. Foucault, 1985a: 71.
3. Kant, 1977c: 53.
4. Foucault, 1975a (SP). Citaten uit de hoofdwerken van Foucault worden direct aangegeven in
de tekst. De noten verwijzen naar de Nederlandse vertalingen, die in afgekorte vorm worden vermeld. Bestaat er geen Nederlandse vertaling dan wordt het Franse origineel geciteerd. Bij een verkorte versie kan het gebeuren dat er zowel naar de Franse als naar de Nederlandse tekst wordt verwezen.
5. Zie ook Lyotard, 1987b: 33.
6. Foucault, 1961, 1972 (HF), 1975c (GW).
7. Foucault, 1976a (VS), 1984d (WW).
8. Foucault, resp. 1984a,e (GL, 1984b,f(ZZ).
9. Foucault, 1971a (OD), 1976c (OV).
10. Zie: Foucault, 1967: 6.
11. Foucault, 1973a (WD).
12. Zie: Lambrechts, 1982: 29.
13. Zie ook: Dreyfus & Rabinow, 1982: 118-119.
14. Foucault, 1963, 1986b (GK).
15. Zie: Karskens, 1986: 83.
16. Dreyfus & Rabinow, 1986: 117. Zie ook: Lyotard, 1987b: 31.
17. Zie ook: Foucault, 1985b: 21-22.
18. Foucault, 1974: 13. Zie ook: Foucault, 1985a: 11,15,87.
19. Zie: Foucault, 1985b: 18. Zie ook: Foucault, 1974: 13.
20. Zie: Foucault, 1983b: 205. Op een verwijzing naar het postmoderne karakter van zijn denken
antwoordt Foucault met een vraag: ``Wat is postmodern? Ik ben niet helemaal op de hoogte."Hij verwerpt dit predicaat, omdat het hem in het geheel niet duidelijk is wat de gemeenschappelijke problemen van de postmodernen zijn.
21. Foucault, 1983a: 50.
22. Foucault, 1982a: 216.
23. Foucault, 1977a: 56.
24. Foucault, 1985a: 16.
25. Foucault, 1975b: 33.
26. Foucault, 1976b: 53.
27. Foucault, Kant, I. Antropologie du point de vue pragmatique. Thèse complementaire,
(1961 onuitgegeven).Met inleiding. Parijs, 1964.
28. Zie: Foucault, 1973a: 258,374.
29. Zie: Kant 1977a,b.
30. Zie ook: Karskens, 1986: 56: ``Foucault zal ze als ‘aangetroffen’ kenmerken van het moderne
denken beschrijven en analyseren, maar heeft ze in zijn interpretatie van Kant al meegegeven aan elk denken dat zich met diens positie moet confronteren."
31. Zie: Foucault, 1973a: 369.
32. Kant, 1977c: 53 ev.
33. Foucault, 1986a: 29.
34. Foucault, 1986a: 37.
35. Kant, 1977c: 39.
36. Kant, 1977c: 49.
37. Rabinow, 1984: 42.
38. Putnam, 1981: 163.
39. Zie: Foucault, 1985c: 47.
40. Couzens Hoy, 1986: 238-239.
41. In Couzens Hoy, 1986 wordt het kantiaanse aspect van Foucault werk sterk benadrukt.
42. Zie: Foucault, 1986c (VB): 55-78.
43. Zie Bataille, 1970-1988: Oeuvres Complètes I.
44. Foucault, 1985a: 10.
45. Karskens, 1986: 22-28; Foucault, 1974: 24; Foucault, 1985a:18,31,34.
46. Foucault, 1985a: 32.
47. Zie: Foucault, 1982a: 209.
48. Foucault, 1969 (AS).
49. Foucault, 1986b: respectievelijk 13,186;14;112;202,219,220,227,232.
50. Foucault, 1973a: respectievelijk 181,362;19;144;143,334,336,341,347,350,359;
10;96;359;267.
51. Foucault, 1969: 24; 1971a: respectievelijk 30;35;49,51.
52. Foucault, 1975a: 187,238.
53. Foucault, 1984d: 13,72.
54. Zie: Foucault, 1985d: 134.

2 ZONDAARS EN ZINNELOZEN
1. Foucault, 1981a.
2. Foucault, 1981a: 239.
3. Foucault, 1982a.
4. Foucault, 1985a: 61-62.
5. Foucault, 1985c: 47.
6. idem 5.
7. Hier wordt de Franse tekst (HF)geciteerd, daar de Nederlandse tekst (GW) een verkorte versie is.
8. De doorwerking van de aan het structuralisme ten grondslag liggende tekentheorie van
De Saussure vinden we in WD terug. Het middeleeuwse teken bestaat eigenlijk uit drie aspecten die volledig samenvallen. Zie voor een beknopte bespreking: Karskens, 1986: 273-278.
9. Tannahil, 1982: 140141.
10. Foucault, 1985c: 47.
11. Zie: Foucault, 1982c.
12. Zie: Descartes, 1962: 134,163.
13. Zie: Howard, 1976. Howard laat zien dat deze professionalisering in het toenmalige Holland zijn
aanvang neemt tijdens de 80jarige oorlog. Het raadplegen van klassieke werken omvat naast werk over tactiek en strategie tevens filosofisch werk van de Stoïci die op zelfdiscipline wijzen, hetgeen direct aan de protestante behoefte tegemoet komt. Frankrijk neemt deze aspecten later over en ontwikkelt een op haar sociale en politieke structuur geënt model. Op onverwachte wijze blijken hier zelfdisciplinering in zelfpraktijken de disciplinaire macht gebaseerd op de legerorganisatie en het protestante ethos met elkaar in verband te kunnen worden gebracht. Zie: 56, 62-66.
14. Foucault, 1981a: 250.
15. Foucault, 1981a: 250.
16. Foucault, 1979c.
17. Foucault, 1979c: 21.
18. Foucault, 1978a: 219.

3 HET VERSCHIJNEN VAN DE MENS, HET VERDWIJNEN VAN DE OORSPRONG
1. Foucault, 1971b: 34.
2. Foucault, 1977a: 51.
3. Foucault, 1979c: 13.
4. Deleuze, 1981: 646-647.
5. Donzelot, 1977: 46,215-216.
6. Le Roy Ladurie, 1984: 400.
7. Foucault, 1979c: 17.
8. Donzelot, 1979: ``Enerzijds zien we de burgerlijke pool vorm aannemen, waar de familie vrijwillig
medische instructies aangrijpt en deze gebruikt om de kinderen van de vermeende verstikkende greep van de bedienden en de sociale verwarringen te bevrijden, zodoende rond het kind een educatief model construerend dat ik als `beschermde bevrijding' heb aangemerkt. Anderzijds is de arbeidersfamilie op basis van een geheel van institutionele dwang en stimulering gereorganiseerd, wat het kind eveneens tot het centrum van de familie maakt, om zeker te zijn van, maar in overeenstemming met de procedures veeleer de term `bewaakte vrijheid' verdienend."(xxi)
9. Veyne, 1981: 21.
10. Deze essays zijn vertaald en gebundeld. Zie: Foucault, 1986c(VB).
11. Dreyfus & Rabinow, 1984: 323.
12. Dreyfus & Rabinow, 1984: 340.

4 MACHT OF MACHTELOOSHEID?
1. Habermas, 1985a: 312 ev. Zie ook: Karskens, 1986: 97. Volgens beiden verstrikt Foucault zich in
de te radicale implicaties van zijn eigen methode.
2. Karskens, 1986: 266, 350. Hier wordt een andere tegenstelling gepresenteerd: potentia versus
potestas. De laatste term staat gelijk met politieke macht.
3. Aan het begin van de jaren '50 leest Foucault Nietzsches werk naast dat van Heidegger:
``Nietzsche alléén zei me niets, beide tezamen betekenden ze echter een ware filosofische schok."(Foucault, 1985c: 45) Elders merkt hij echter weer op dat hij juist via Blanchot en Bataille Nietzsche is gaan lezen. Nietzsche betekent in ieder geval wel de breuk met zowel Marx als Hegel: ``Ik kan slechts zeggen dat ik ideologisch `historicist' en hegeliaan geweest ben, zolang ik Nietzsche niet gelezen had."(1974: 22) Tenslotte schrijft hij naast een tweetal artikelen waarin Nietzsche expliciet aan de orde komt (1964,1971b) samen met Gilles Deleuze het voorwoord tot de Franse vertaling van het complete werk van Nietzsche (zie: Deleuze & Foucault, 1977).
4. Foucault, 1971b.
5. Karskens, 1986: 99-100.
6. Foucault, 1971b: 15.
7. Foucault, 1971b: 16.
8. Foucault, 1971b: 28.
9. Foucault, 1973b.
10. Foucault, 1973b: 3.
11. Foucault, 1973b: 8.
12. Zie: Auzias, 1986: 36-38. Zie ook: Foucault, 1976b: 7-15.
13. Foucault, 1982a: 212.
14. Foucault, 1978a: 134.
15. Foucault, 1974: 22.
16. Kimmerle, 1983a: ``Wanneer de dialectiek in het brede kader van het differentiële denken
gesitueerd wordt, waarin zij een van de vele mogelijkheden wordt om het andere te denken, lijkt zij mij geschikt om de ontwikkelingen te begrijpen die naar het kapitalisme hebben geleid."(586) Zie ook: Kimmerle, 1981: 531 ev.
17. Foucault, 1981b: 572.
18. Karskens, 1986: 175-176.
19. Foucault, 1979c: 9.
20. Habermas, 1981: 3-14; Debray, 1977: 185.
21. Foucault, 1985e: 26-27
22. Dreyfus & Rabinow, 1984: 338-339.
23. Foucault, 1984c: 101.
24. Idem 23.
25. Foucault, 1982f: 15.

5 DE ERVARING VAN HET ANDERE
1. Foucault, 1986c: 123-134.
2. Foucault, 1985a: 9.
3. Gepubliceerd in Tel Quel en in het door o.a. Bataille opgericht Critique. Zie: Foucault 1986c.
4. Foucault, 1985a: 10.
5. Blanchot schrijft de tekst op de achterzijde van de kaft van Histoire de la folie. Na de dood van
Foucault schrijft hij een korte tekst over diens werk. Zie: Blanchot, 1986.
6. Het gaat hier vooral om avantgardistische literatuur waarin de taal als zodanig geproblematiseerd
wordt, zeker niet om reguliere genres.
7. Barthes, 1986: 23.
8. Barthes, 1986: 29.
9. Foucault, 1971b: 40.
10. Kimmerle, 1983a: 585. Kimmerle wijst hier op het werk van Derrida als een mogelijkheid het
Andere van de geschiedenis te thematiseren. In Kimmerle, 1981 wordt het verschil tussen het hegeliaanse begrip van de tegenstelling en het differentiebegrip uitgewerkt.
11. Foucault, 1981b: 562.
12. Foucault, 1971b: 30.
13. Idem 12: 15.
14. Idem 12: 26.
15. Foucault, 1981d: 56.
16. Foucault, 1985a: 32. 17. Foucault, 1985a: 8.
18. Foucault,
19. Foucault, 1985a: 14.
20. Idem 18.
21. Idem 18.
22. Zie: Lambrechts, 1982. Naast een korte inhoud van de boeken en een overzicht van de thema's
besteedt Lambrechts veel aandacht aan de argumenten van Foucaults critici.
23. Foucault, 1982b: 511; 1985a: 16.
24. Foucault, 1985a: 8.
25. Foucault, 1981b: 562. In Foucault 1971b heeft hij de historicus nog op negatieve wijze `tot de
familie van de asketen' gerekend (33).
26. Lyotard, 1987a: 47.
27. Zie: Habermas, 1981: 13.
28. Foucault, 1985a: 32.

6 DE ERVARING VAN DE GRENS
1. Bataille, 1945. Voor de afzonderlijke werken van Bataille wordt naar de verschillende delen van het
verzamelde werk (oeuvres complètes) verwezen. In dit geval dus naar pagina 11 van deel VI, waarin Sur Nietzsche is opgenomen.
2. Bataille, 1928.
3. Durançon, 1976: 38,41.
4. Barthes, 1982: 122.
5. Bataille, 1943\1989. Ik verwijs naar de Nederlandse vertaling: (EI).
6. Bataille, 1918.
7. Bataille, 1961,1986. Ik verwijs naar de Nederlandse vertaling: (TE).
8. Barthes, 1986: 19-20.
9. Bataille, 1949.
10. Het Griekse `parodia' laat zich allereerst als `een komische nabootsing' begrijpen. `Parodos'
heeft bovendien de betekenis van een indirecte , duistere verwijzing. Ik zou echter geheel tegen de gevestigde etymologie in de parodie vanuit het grondwoord `ho­dos' (weg) willen lezen.
`Par(a)odos' betekent zoveel als `toegang/doorgang', ook `naar voren komen' of `verschijnen'.
11. Bataille, 1933b.
12. Sasso, 1978.
13. Bataille, 1929-1930.
14. Bataille, 1931.
15. Bataille, 1957c. Ik verwijs naar de afzonderlijke uitgave van 1957: (E).
16. Mattheus, 1984: 90.
17. Bataille, 1930.
18. Eén van de gebeurtenissen die een enorme indruk op Bataille hebben gemaakt, is de dood van
een toreador tijdens een stieregevecht.
19. Bataille, 1957b.
20. Barthes, 1982 119.
21. Weil, 1950.
22. Weil, 1950: 58.
23. Weil, 1950: 53.
24. Weil, 1950: 59.
25. Weil, 1950: 75.
26. Zie ook: Feher, 1981.
27. Bataille, 1933a.
28. De invloed van Bataille op het werk van Jean Baudrillard is aanzienlijk. Zie: Baudrillard,
1986: 32,52.
29. Het begrip `massa' bij Baudrillard lijkt mij overeenkomsten te vertonen met de on(be)grijpbare
heterogeniteit bij Bataille. Zie: Baudrillard, 1986: 16,27-28. Maar ook het lichaamsbegrip dat wordt ontwikkeld heeft de kenmerken van een ongrijpbare heterogeniteit. Zie: Baudrillard, 1976: 178,181.
30. Bataille, 1956.
31. Habermas, 1985a: 248-278.
32. Habermas, 1985a: 267.
33. Bataille, 1957a.
34. Zie: Surya, 1987: 252-258. Zie ook: Mattheus, 1984: 343-355.

7 EROTIEK EN KUNST: MODERNE GEWELDSRITUELEN.
1. Naast het eerder genoemde stieregevecht brengt Bataille nog een aantal van dit soort ervaringen
ter sprake. Zie: Bataille,1930 in OC II: 19; 1943: 46; 1986: 242.
2. Bataille, 1943, 1944, 1945.
3. Van der Burg & Meijers (red.), 1987: 12.
4. Bataille, 1956. Ik verwijs naar de Duitse vertaling: (S).
5. Bataille, 1955a.
6. Steinberg, 1983.
7. Bataille, 1955b.
8. Zie de Nederlandse vert.: Van der Burg & Meijers (red.), 1987: 35-36.

8 GRENZEN AAN DE ERVARING.
1. Foucault, 1985a: 32.
2. `Methodeia' krijgt in het latere Grieks naast de conventionele betekenis van `regelgeleid handelen'
of `methode' de pejoratieve betekenis van `arglistige kunstgreep'.
3. Bataille, 1936-1939.
4. Foucault, 1982f: 15.
5. Zie: Bischof, 1984: 95,196. Zie voor een kritiek: Bergfleth, 1985: 136.
6. Ten tijde van de Tweede Internationale is het vooral Kautsky die de toon aangeeft.
Bij hem ontbreekt echter deze analyse. In de jaren twintig pakken buiten Frankrijk m.n. Lukacz (Hongarije) en Korsch (Duitsland) deze thematiek op. In Frankrijk kan hoogstens Kojève aangemerkt worden als degeen die deze thematiek aansnijdt. Bataille volgt zijn colleges over Hegel. Pas in de jaren '50 zal Althusser de invloed van de bovenbouw op de onderbouw systematisch uitwerken.
7. Sasso, 1978: 154.
8. Zie: Häfliger, 1981.
9. Zie: Oosterling & Prins (red.), 1988.
10. Zie voor de invloed van Kojève op Bataille: Surya, 1987: 196-199. 11. Zie: Kimmerle, 1981.
12. Zie ook Deleuze & Guattari, 1972: 412-419.
13. Zie: Bataille, 1945: 78,91,192-194; 1986: 242; 1989: 39-49.

9 VERZET ALS GEFRAGMENTEERDE ZELFERVARING.
1. Foucault, 1974: 155.
2. Foucault, 1974: 156.
3. Midden zeventiger jaren vindt er een intense uitwisseling van ideeën tussen Foucault en Deleuze
plaats. Voor één van de vruchten van deze samenwerking zie: Deleuze & Foucault, 1977.
4. Deleuze, 1981: 658.
5. Zie: Foucault, 1973a: 355.
6. Deleuze & Foucault, 1977: 87.
7. Deleuze & Foucault, 1977: 88.
8. Zie: Lyotard, 1979: 92-93.
9. Deleuze & Foucault, 1977: 89.
10. Foucault, 1982b: 503.
11. Foucault, 1976b: 28.
12. Deleuze & Foucault, 1977: 94.
13. Dreyfus & Rabinow, 1982: 213.
14. Foucault, 1984g: 24.
15. Disciplinering blijkt juist daar waar bijvoorbeeld het strafrecht `hervormd' wordt in een andere
gedaante terug te keren. Zie: Foucault, 1985a: 12,15,87. Zie ook: De Folter, 1987: ``Op grond van deze punten meen ik te kunnen stellen dat dienstverlening als een gevangenisstraf in een gevangenis zonder muren kan worden begrepen (...). Dienstverlening is net zozeer een instrument van de normaliseringsmacht als de gevangenis en mogelijk (...) een effectiever instrument dan de gevangenis."(260)
16. Ik beperk me hier bewust tot het huidige `linkse' verzet. Het `rechtse' verzet richt zich immers op
het herstel van een historisch overleefde ervaring, nooit op een nieuwe ervaringsstructuur.
17. Habermas, 1985b: 152.
18. Foucault, 1985a: 91.
19. Deleuze & Foucault, 1977: 99.
20. Habermas, 1985a: 256,267.
21. Bergfleth, 1985.
22. Baudrillard, 1986: 38,41.
23. Baudrillard, 1986: 29.
24. Baudrillard, 1985: 281-282.
25. Habermas, 1985b: 155,249.
26. Zie: Baudrillard, 1986: 54-55. Zie ook: Bergfleth, 1985: 129.
27. Bergfleth, 1985: 128.
28. Deleuze & Guattari, 1972: 43.
29. Foucault, 1974: 26.
30. Foucault, 1978a: 195.
31. Foucault, 1985b: 41.
32. Foucault, 1977a: 53.
33. Foucault, 1985a: 18-19.
34. Foucault, 1985a: 21.
35. Zie: Auzias, 1986: 124-133.
36. Foucault, 1985a: 83.
37. Foucault 1985a: 32-33.
38. Foucault, 1977a: 53-54; Foucault, 1974: 28.
39. Foucault, 1984g: 22. Foucault spreekt hier zelfs over het herzien van het rechtstelsel en over een
`nieuw relationeel recht'.
40. Zie: Merquior, 1985: 141 ev; Eco, 1985: 326; Couzens Hoy, 1986: 61.
41. Zie: Deleuze & Guattari, 1972: 384.
42. Dreyfus & Rabinow, 1982: 216.
43. Zie: Deleuze & Guattari, 1972: 306,412 ev.
44. Zie onder andere: Foucault, 1975a: 278,288; 1976a: 126,208.
45. Zie ook: Baudrillard, 1986: 59.
46. Foucault, 1982f: 15.
47. Foucault, 1976b: 117.
48. Zie: Dreyfus & Rabinow, 1984: 323.
49. Zie: Oosterling & Prins (red.), 1988.
50. Foucault, 1971b: 19.
51. Zie ook: Baudrillard, 1976: 178.
52. Foucault, 1975a: 220.
53. Zie: Deleuze & Guattari, 1972: 125.
54. Foucault, 1978a: 204-205.
55. Foucault, 1977b.
56. Kimmerle, 1983a. Hier geeft hij een aanzet tot een ``logica van het denken van de differentie en
haar relatie met de dialectische logica".(534) Het gaat hier om de logisch categoriale vooronderstellingen, niet om de concrete sociale consequenties. Hij wijst hier, uitgaande van de noties `differentie' en `oppositie', zeer kort op de logische betrekkingen tussen de categorieën van de tolerantie en het respect. In een latere tekst werkt hij deze relatie verder uit. Zie: Kimmerle, 1983b: 139-145. Zie ook: Deleuze & Guattari, 1972: 346,349; Foucault, 1982f: 9-10. Zie voor de concrete invulling ten aanzien van homopraktijken: Tielman, 1982: 259-260.
57. Foucault, 1985b: 27-28.
58. Foucault, 1984c: 100.
59. Zie: Foucault, 1978b.
60. Zie: Foucault, 1985b: 64.
61. Foucault, 1985b: 64

10 LEVENSSTIJL ALS RITUALISERING EN STILERING VAN HET GEWELD
1. Zie: Foucault, 1984e: 14; 1985b.
2. Tielman, 1982: 256-257.
3. Foucault, 1985b: 29.
4. Foucault, 1985b: 27.
5. Hekma, 1987.
6. Kinsey & Pomeroy & Martin, 1948: 650-651. Hier wordt percentagegewijs een statistische
inschatting gegeven van het homosexuele deel van de bevolking. Volgens Kinsey is slechts 4% `exclusively homosexual throughout their lives'. Dit percentage loopt in latere onderzoeken steeds verder op.
7. Foucault, 1984g: 25.
8. Duyves e.a., 1984: 11.
9. Duyves e.a., 1984: 16.
10. Foucault, 1985b: 38.
11. Foucault, 1984g: 24.
12. Tielman, 1982: 257.
13. Tielman, 1982: 268-269.
14. Duyves, 1984: 59.
15. Hocquenghem, 1978: 130.
16. Zie: van Gils, 1984.
17. Zie ook: Deleuze & Guattari, 1972. In dit boek wordt de scheiding tussen het individuele en het
sociale verlangen als een fictie ontmaskerd. Deze door zowel Freud als Marx gehanteerde vooronderstelling is volgens hen een produkt van de oedipalisering die een pendant van het kapitalistische produktiesysteem is.
18. Duyves, 1984: 62.
19. Duyves, 1984: 55.
20. Hebdige, 1983: 595.
21. Hall & Jefferson, 1976: 9-10.
22. Brounts, 1983: 586-588.
23. Hall & Jefferson, 1976: 238.
24. Idem 23.
25. Idem 23.
26. Hall & Jefferson, 1976: 189.
27. Zie: Brounts, 1983: 591
28. Frith, 1984: 290.
29. Hebdige, 1979: 121.
30. Hebdige, 1979: 107-108.
31. Zie: Hebdige, 1983: 596.
32. Idem 31.
33. Barthes, 1986: 19-20.
34. Hebdige, 1983: 598.
35. Hebdige, 1979: 126.
36. Hebdige, 1979: 61-62.
37. Hall & Jefferson, 1976: 209-222.
38. Frith, 1984: 265.
39. Idem 38.
40. Marsh & Rosser & Harré 1978: 121.
41. Marsh & Rosser & Harré 1978: 115-134.
42. Marsh & Rosser & Harré 1978: 64.

11 AVANTGARDE: ENSCENERING VAN HET LICHAAM
1. Hebdige, 1979: 128.
2. Frith, 1984: 289.
3. Dreyfus & Rabinow, 1984: 331.
4. Mertens, 1980: 131-2. Mertens legt in deze studie een verband tussen de libidinale filosofie van
Deleuze en Lyotard en de minimal music van La Monte Young, Reich, Riley en Glass.
5. Frith, 1984: 265-270.
6. Mertens, 1980: 156-157.
7. Barthes, 1986: 23. Barthes hanteert de termen `plezier' en `genot' op ambigue wijze.
Dit doet hij echter opzettelijk: ``Plezier/Genot: terminologisch wankelt het nog, ik struikel, ik verwar ze."(8) Even verder: ``...wijst het verbale plezier door zijn overdaad naar lucht en slaat het over in genot".(13) De tekst van plezier is dan die tekst ``die tevreden stelt, vervult, euforie opwekt; die uit de cultuur voortkomt, niet met haar breekt(...) Tekst van genot: die in een toestand van verlies brengt... ."(20) Plezier lijkt hier op het behoud van het ik, genot daarentegen op het verlies ervan te duiden. Hoe de verhouding echter ook gearticuleerd wordt, steeds is er sprake van samenhang èn verlies. De tekst is het intense veld van een onoplosbare spanning.
8. Sylvester, 1980: 81.
9. Idem 9.
10. Sylvester, 1985: 148.
11. Zie ook: Oosterling, 1988: 26.
12. Bernlef, 1985: 128.
13. Pluchart, 1983: 72.
14. Pluchart, 1983: 6.
15. Pluchart, 1983: 31.
16. Nitsch, 1960-1983: 47.
17. Een uitspraak van Daniel Buren in: Syring, 1987: 67.

EPILOOG. LEVENSSTIJL: TRAGIEK EN ETHIEK
1. Foucault, 1979 in 1985d: 131.
2. Foucault, 1985b: 65
3. Foucault, 1984c: 114.
4. Foucault, 1983a: 42.
5. Dit begrip krijgt vorm in Foucaults artikelen over de Iraanse Revolutie. Zie:
Foucault 1978d,e, 1979a. Zie verder: Lambrechts, 1982: 265 ev.
6. Foucault, 1982d,e.
7. Dreyfus & Rabinow, 1984: 325.
8. Foucault, 1984c: 110.
9. Foucault, 1985b: 60.
10. Foucault, 1984c: 101.
11. Foucault, 1985d: 137-138.
12. Schürmann, 1986: 467.
13. Foucault, 1983: 50.
14. Lyotard, 1987b: 31-32.
15. Lyotard, 1987b: 23.