|
POSITIVITEIT VAN DE LEEGTE
Henk Oosterling (Gepubliceerd in: Crisis van de rede? Perspectieven op cultuur. Erik Heyermans & Paul Wouters (red.), Van Gorcum, Assen/Maastricht 1992, pp. 407-413)
[1] Willen we enig begrip
van dit verschijnsel krijgen dan moeten we ons paradoxaal genoeg los
maken juist die Westerse categorieën, van waaruit we als gevolg
van 2000 jaar christendom en twee eeuwen filosofische en menswetenschappelijke
theorievorming, naar onze wereld kijken. Iets wat wij in principe
niet kunnen. In het huidige euthanasiedebat speelt nog steeds de christelijke
opvatting, dat zelfmoord afbreuk doet aan de goddelijke almacht. [2] Ons zondebesef en Gods
transcendentie worden door Kant weliswaar in de immanentie van de
redelijke en zedelijke, dat wil zeggen autonome zelfbepaling verankerd,
maar de negatieve waardering van de zelfmoord blijft bestaan. Hij
meende immers dat, zodra we uit eigenbelang ons leven beëindigen,
deze aandrift, eenmaal in een coherente maxime onder een universeel
gezichtspunt gebracht "zichzelf tegenspreekt en niet als natuur zou
kunnen bestaan"(Kant 1974: VII, 52; B/A 54). Zijn 'plicht', dat wil
zeggen: de achting voor de zedewet omwille van zichzelf sluit zelfdoding
per definitie uit. Deze 'pathologische' aandrift vernietigt juist
iedere zedelijke zelfbepaling. In zijn antropologie merkt hij verder
op, dat de vraag "of zelfmoord ook moed of slechts verzaking veronderstelt,
geen morele, maar een psychologische vraag is"(Kant 1974: XII, 589;
B/A 214). Maar niet alleen Kant moeten wij achter ons laten. Ook Emil
Durkheim en Sigmund Freud, die respectievelijk de sociologische en
psychopathologische oorzaken van het Westerse doodsverlangen hebben
blootgelegd. Hoewel Freud het primaire masochisme en de doodsdrift
als antropologische constanten zag, was hij er toch van overtuigd,
dat sublimeringen deze pathologische tendens konden keren. Durkheim
weet op zijn beurt de toenemende zelfmoordcijfers van het vorige fin
de siècle aan de anomie in een door groeiend individualisme
en economisch expansionisme gekenmerkte samenleving, waarin ieder
traditioneel sociaal verband gaandeweg werd uitgehold. Hoewel de zelfmoordcijfers
in Japan nauwelijks verschillen van die van de rest van de wereld
blijkt het aantal jongeren en ouderen dus: niet produktieven die een
belasting voor hun omgeving vormen onder de zelfmoordenaars percentagegewijs
groter te zijn dan elders. Tegenover iedere moord staan bovendien
drie zelfmoorden.(Pinguet 1984: 28) Het is dus maar de vraag, of seppuku
iets met masochisme, groeiend individualisme of met de bevrijding
van Kants autonome subject "aus seiner selbst verschuldeten Unmündigkeit"(Kant
1974: XI, 53; A 481) te maken heeft. Maar hoe dit te begrijpen zonder
Kant, Durkheim of Freud? [3] Hierachter ligt een fundamenteel
andere opvatting over de onderlinge verhoudingen tussen het goede,
ware en schone. Wordt door Kant het schone hoogstens als een symbool
van het goede en het ware opgevat(Kant 1974: X, 294; B 258/A 254),
in Japan lijkt de 'schone schijn' het gedrag van de wieg tot het graf
te bepalen. Het hindoeistische maya, de sluier van de schijn, kent
Japan als tatemae, als het noodzakelijk vertoon, het spel, het ritueel.
Toch zijn deze formuleringen misleidend. Onze westerse ideeëngeschiedenis
is er reeds in verdisconteerd. De tegenstelling schijn zijn volstaat
namelijk niet om deze vormelijkheid te begrijpen. De schijn is niet
uiterlijk, omdat er namelijk geen innerlijk aan beantwoordt. [4] Dit kan aan de omgang
met het geweld geïllustreerd worden. Geweld als zodanig is voor
Japanners geen moreel probleem. Tokyo is een van de veiligste steden,
waar volwassen mannen in de metro desondanks sadomasochistisch getinte
strips zondere enige schroom verslinden. Ook hier overschaduwt een
'esthetische' waardering een ethische verwerping, omdat een transcendent
principe, van waaruit geweld afgewezen zou kunnen worden, ontbreekt.
Sociale setting en een concrete verplichtingen geven de doorslag voor
het al dan niet gebruiken van geweld. Daarbij is de zuiverheid van
de dader altijd in het geding. Zijn bereidheid zelf aan het toegebrachte
geweld ten onder te gaan, van doorslaggevend belang. [5] Door de afwezigheid van
iedere transcendentie bergt het concrete zowel het bezielde als het
onbezielde in zich. Dat Japanners zich altijd bewust zijn van de vergankelijkheid
wordt mede uitgedrukt in het nationale symbool van de kersebloesem:
hierin wordt een kort, maar intens mooi leven, dat ieder moment kan
worden weggerukt, gesymboliseerd. Zo is de dood altijd aanwezig. Ieder
leven krijgt zijn voltooiing in een schone, maar gewelddadige dood:
in een euthanasie. Individuele beslissingen worden altijd gemaakt
met het oog op de harmonie, wa, van de groep. Een Japanner manoeuvreert
binnen een pyramidaal gestructureerde veelheid van verplichtingskringen,
waarvan de familie de basis en de keizer de top vormen. Wijkgemeenschap,
werkkring en lokale autoriteiten krijgen hierbinnen ieder hun plaats.
Iedere verplichting, elke on, vereist een gepaste delging: giri. On,
wa en giri constitueren het zelfrespect van de Japanner. Maar zij
zijn nauwelijks vergelijkbaar met Kants plicht, omdat dichotomieën
als transcendent immanent, autonoom heteronoom en individueel sociaal
er niet op van toepassing zijn. Niet Kants individuele, rationeel
bepaalde zuivere geweten, maar het op zuiverheid gerichte zelfoffer
kleurt de eigenwaarde van de Japanner. Kants in een universele rede
gefundeerde zelfrespect is voor de Japanner, zo hij al in deze termen
over zichzelf kan denken, de opperste vorm van egoïsme. De confucianistische
leer bood vanaf de 17e eeuw een institutioneel kader voor deze doodsesthetiek.
Ieder uitwas of een mogelijke doorbreking van de sociale orde kon
daarmee worden bestreden. Zo was het boeren weliswaar toegestaan tegen
de hoge belastingdruk in opstand te komen, maar alleen dan als degenen
die de petitie overhandigden vervolgens seppuku pleegden.(Buruma 1984:
167-8) De dood van de raddraaiers verplichtte de heer volgens de giri
tot verzachtende maatregelen. Dit sociaal politieke stelsel steunde
voorts op een tweede religieus fundament, dat zich al vroeg in de
Japanse cultuur vestigde: het boeddhisme, dat in de vorm van het zenboeddhisme
in de 12e eeuw door de krijgerskaste, de samoerai, als leidraad voor
het handelen werd geadopteerd. Met het opheffen van het lijden door
absolute zelfverzaking als inzet ontstond er een ethische code, waarin
de onvoorwaardelijke loyaliteit aan de eigen heer en in laatste instantie
aan de keizer tot zijn hoogste waarde werd verheven. Deze onvoorwaardelijke
trouw betekende uiteindelijk: bereidheid tot het ultieme offer, de
rituele zelfmoord, op de meest pijnlijk wijze voltrokken. [6] Zodra de eer van de groep
en daarmee van voorouders én nazaten bezoedeld werd, moest
deze schaamte, die niet als zonde, maar als onzuiverheid werd ervaren,
worden weggenomen. In het ergste geval kan het in onze ogen als gewetensconflict
opgevatte verplichtingsconflict door rituele zelfmoord worden gedelgd.
Maar het is ook mogelijk dat de seppuku de absolute trouw uitdrukt.
In de moderne tijd hebben generaals niet alleen na de definitieve
nederlaag de hand aan zichzelf geslagen, in het geval van Generaal
Nogi en zijn vrouw was het de absolute trouw aan de gestorven keizer
die hen ertoe aanzette na zijn overlijden seppuku te plegen. Barthes
neemt in zij tekst over Japan twee foto's op, van de generaal en zijn
vrouw. Hoewel het hem om de ogenschijnlijke onverstoorbaarheid van
hun gezichten gaat, wijst hij op uiterst pregnante wijze op de gewelddadige
grondslag van de ethiek. Na een uitweiding over hun 'gelaatstrekken',
schrijft hij: "Net als voor de acteur in travestie is er geen enkel
adjectief mogelijk, is het predicaat ontslagen, niet door de plechtigheid
van de nabije dood, maar omgekeerd door de ontheffing van de zin van
de Dood, van de Dood als zin. Generaal Nogi's vrouw heeft besloten
dat de Dood de zin was, dat beide elkaar tegelijkertijd opzegden en
dat je er dus niet over moest spreken, al was het maar met je gezicht".
(Barthes, 1987: 101). Zo vindt de giri zijn raison d'être en
ultieme vorm in de seppuku. In tegenstelling tot Kants bewering dat
zelfmoord slechts een psychologische vraag opwerpt, blijkt deze in
Japan de ethiek te schragen. [7] De offerdood is dus geenszins
een ontkenning, maar veeleer een bewijs van de ethische gemeenschap.
Misschien heeft de christelijke samenleving dit inzicht juist door
het primaat van een transcendente God vanaf haar oorsprong, dat immers
de offerdood van Christus was, verdrongen. [8] Schuilt achter deze positieve
waardering wellicht een collectief doodsverlangen? De Japanse literatuur
getuigt voortdurend van een 'doodsverlangen'. Niet alleen bij de geëxalteerde
Mishima, maar ook bij de bedaarde Tanizaki komt het terug, als hij
in een van zijn romans, sprekend over zij jeugd, verzucht: "Waarom
is hij nu verdwenen, die wereld? Is dat misschien wat men bedoelt
met de dood?". Japanse wetenschappers hanteren natuurlijk ook westerse
modellen om dit aspect van het doodsbesef te 'verklaren'. Zo moet
de sleutel van zowel dit verlangen en als de on volgens sommige psychiaters
gezocht worden in de eerste zes levensjaren, waarin de moeder zich
volledig voor het kind opoffert, de vader nagenoeg afwezig is en Freuds
Oedipuscomplex zich dus niet kan ontwikkelen.(Doi 1971) Het Überich,
in de gedaante van het geweten blijft uit.(Pinguet 1984: 51-7) Het
verlangen naar deze 'reële orde', zoals Lacan haar noemde, heeft
zich duurzaam in de Japanse ziel genesteld. Maar zelfs als we deze
Westerse verklaring accepteren blijkt het doodsbesef een nog integraler
bestanddeel van de Japanse cultuur uit te maken. Uitspattingen in
het bordeel en de kroeg zijn er zelfs op terug te voeren. De dronkenschap
wordt door zeer vele mannen dagelijks aan het eind van een zeer lange
werkdag gezocht. In dit momentane zelfverlies is nagenoeg alles toegestaan
en niemand wordt achteraf een verwijt gemaakt. Maar het zal duidelijk
zijn dat inzicht in de Japanse ziel en haar verlangens verder gaat
dan deze psycho analytische verklaring, die nog steeds op subjectgerichte
opposities als innerlijk uiterlijk is gebaseerd. Zodra we het ons
bekende terrein verlaten blijkt een inzicht in het doodsbesef onvermijdelijk
een kritiek op de vermeende universaliteit van moderne, Westerse ervaringcategorieën
te impliceren. Proberen we de positieve ervaring van de dood van binnenuit
te begrijpen, dan blijken opposities zoals autonoom heteronoom, individueel
sociaal, innerlijkheid uiterlijkheid en uiteindelijk wellicht die
tussen het iets en het niets of de leegte, zo bepalend voor het Westerse
denken vanaf Parmenides uiteen te vallen. Waar wij, westerlingen,
als we bij onszelf te rade gaan, een individuele geweten vinden, daar
schouwt de oosterling wellicht in een immense leegte: een niemandsland
tussen allerlei groepsbepaalde verplichtingszones. De tweedeling individueel
collectief die steeds in onze analyses voorondersteld wordt, blijkt
nu een methodische vooronderstelling te zijn die meer zegt over de
blik waarmee dan over de ervaringswereld waarnaar wordt gekeken. [1] Er bestaan verschillende
vormen: de jisai, de individuele zelfmoord als zoenoffer om een verplichtingsconflikt
op te lossen, de junshi waarbij de vazal zijn meester in de dood volgt.
De shinju is de volkse vorm: twee geliefden, door de klassenscheiding
uiteengedreven, verkiezen de gezamelijke dood boven een maatschappelijke
verordende scheiding. [2] Dante voert de zelfmoordenaars
in de zevende ring van zijn Inferno op als boomblaadjes de laagste
levensvorm die telkens geplukt worden. Inhoudsloze vormen, die het
eens zelfgekozen lot nu tot in de eeuwigheid moeten ondergaan. Zie:
Dante Alighieri 19504: 165. Dante's boomblaadjes krijgen in Japan
een positieve tegenhanger in de kersenbloesem, de sakura. De kersenbloesem
is het toonbeeld van een ethisch/esthetisch leven: een vluchtige schoonheid
die slechts kortstondig in zijn volheid schijnt. [3] Volgens de shintoleer
leeft de ziel na de dood voort als kami, als een goddelijke kracht,
die iedere concrete vorm aan kan nemen. De kami van de voorvaderen
worden ieder jaar van 13 tot 15 juli op het Bonfeest, dat allerlei
reinigings en offerrituelen kent, grootschalig herdacht. Hoewel er
in shinto wel degelijk sprake is van andere werelden takama no hara
(de hemelse wereld) of homi/tokoyo no kuni (gindse wereld) zijn deze
altijd met de onze vervlochten. De karmische noodzakelijkheid, die
het opheffen van het lijden dus het individuele verlangen of de wil
beoogt, en het overigens uiterst vage idee van een Nirwana in het
boeddhisme ontberen eveneens iedere morele overbelasting. Zelfverzaking
wordt een uitdrukking van zuiverheid: de vorm is alles, de inhoud
niets. Hegeliaans uitgedrukt: de vorm is inhoud. [4] Zie: Barthes 1987. Barthes
laat zien hoe in het Bunrakupoppenspel de opposities binnen buiten,
bezield onbezield ontoereikend tvoor enige begrip zijn: "wanneer het
gaat om de fundamentele tegenstelling, die van het bezielde en onbezielde,
vervaagt het Bunrakutheater die, wist hem uit zonder aan een van beide
termen de voorkeur te geven".(62) En even verder: "Het Bunrakutheater
keert niet meteen de verhouding zaal toneel om (...); wat het des
te diepgaander verandert is de dynamische as die van het personage
naar de acteur loopt en die bij ons altijd wordt opgevat als de expressieve
uitweg van een innerlijkheid"(65). [5] Zie: Ian Buruma 1984.
Deze tegenspraak wordt het duidelijkst geïllustreerd door de
Japanse kritiek op een documentaire achtig boek, dat handelt over
een in Parijs woonachtige Japanner, die zijn kannibalistische aandriften
op zijn nederlandse vriendin uitprobeert. Niet de onverbloemde verwerking
van het gegeven, maar stilistische aspecten bleken steen des aanstoots
te zijn. De vader van de desbetreffende Japanner, een directeur van
een multinational, bood overigens daags na het voorval en plein publiek
zijn verontschuldigingen aan en nam vervolgens ontslag om de schaamte
op te heffen. [6] In de classificatie van
wereldse relaties ouder kind, man vrouw, heer vazal biedt alleen de
laatste toegang tot een zuiverder toekomstige rencarnatie. Seppuku
ten gunste van de vazal junshi situeert de voltrekker op de grens
van drie levens: het vorige, huidige en toekomstige. [7] De in het zenboeddhisme
nagestreefde ascese paart rituele reiniging aan esthetische zuiverheid,
waarvan het idee van de leegte, mu shin, niet alleen de kerngedachte,
maar tevens categorisch imperatief en utopisch ideaal is. Zie: Suzuki
1959. Suzuki beschrijft hoe deze fundamentele gedachte van mu shin
zich als ervaring in allerlei Japanse culturele praktijken aandient:
van de theeceremonie en de haikutraditie tot ogenschijnlijk daarmee
onverenigbare martiale kunsten zoals het boogschieten en het zwaardvechten:
"He (een groot zwaardmeester: Tajima no kami) says that the mind that
is no mind is the last stage in the art of swordplay. 'To be of no
mind' (mushin) means the 'everyday mind' (heijo shin), and when this
is attained everything goes well. (...) When things are performed
in a state of 'no mind' (mushin) of 'no thougt' (munen), which means
the abscence of all modes of self or ego consciousness, the actor
is perfectly free from inhibitions and feels nothing thwarting his
line of behaviour."(147) Barthes die Japan bezocht,
maar zich bewust van enige inleving onthield om Japan als een tekensysteem
te kunnen beschrijven geeft in L'empire des signes aan hoe onze logica
op de klippen loopt: "Zen voert in zijn geheel oorlog tegen de verzakingen
van de zin. Zoals bekend doorkruist het boeddhisme het fatale verloop
van alle positieve (of negatieve) beweringen met zijn aanbeveling
om nooit verstrikt te raken in de volgende vier uitspraken: dat is
A; dat is niet A; dat is zowel A als niet A; dat is noch A noch niet
A. Deze viervoudige mogelijkheid nu correspondeert met het volmaakte
paradigma zoals de structurele linguïstiek het heeft geconstrueerd."
(Barthes 1987:75). [8] Zo werd het gedrag van een aantal leden van het Japanse ultralinkse militante Rode Leger, die door de politie in het nauw gedreven vijf dagen stand hielden, achteraf door iedereen afgekeurd. Niet omdat zij geweld gebruikten of verkeerde idealen nastreefden, maar omdat ze zich na de spectaculaire belegering overgaven. Seppuku lag in de lijn der verwachting. |